Opinie

    • Frits Abrahams

Wat nu, Amsterdam?

Omstreeks 12 uur kwam ik afgelopen vrijdag lopend bij het Centraal Station van Amsterdam aan. Ik moest naar Hilversum voor een afspraak, een uur later. Voor het station stond een aantal politiebusjes en er kwam ook een ambulancewagen met loeiende sirene aangereden.

Er was nog geen afzetting aangebracht, met andere reizigers kon ik onbelemmerd het gebouw binnen, maar bij de westelijke vleugel werden we tegengehouden door enkele nerveuze politieagenten. Ze vertelden niet wat er aan de hand was, maar riepen dat we alleen verderop het gebouw binnen mochten.

Daar leek niets aan de hand, behalve dat in- en uitchecken niet mogelijk was. Er kwamen nog steeds treinen binnen, reizigers liepen het gebouw in en uit. Mijn intercity naar Hilversum van 12.30 uur meldde zich keurig op tijd, we namen plaats en hoorden via de intercom dat we nog even op de machinist moesten wachten. De reizigers vertelden elkaar dat er in de hal een schietpartij met één dodelijk slachtoffer was geweest. Na tien minuten wachten liep een conducteur door het gangpad met de mededeling dat we de trein moesten verlaten omdat alle treinverkeer was stilgelegd. „Ik was erbij in de hal”, vertelde hij kalm, „het gebeurde een paar meter verderop, ik hoorde eerst geschreeuw, daarna schieten.”

Iedereen verliet rustig de trein, ik liep naar andere perrons en zag overal hetzelfde beeld: reizigers die zonder paniek de treinen en het station verlieten. Pas uren later vroeg ik me af: wat zou er gebeurd zijn als zich andere aanslagplegers, collega’s van Jawed S., elders in dat grote gebouw hadden schuilgehouden om toe te slaan? Niemand kon weten of dat het geval was. We raakten niet in paniek omdat we het ons op het moment zelf kennelijk niet konden voorstellen.

Het was al bizar genoeg om je voor te stellen dat je zelf gevaar had gelopen als je tien minuten eerder door die vleugel was gegaan, een vleugel met de Hema, Starbucks en De Broodzaak, waar zo ongeveer al je treinreizen begonnen en eindigden.

Een dag later keerde ik er omstreeks hetzelfde middaguur terug. Alles was netjes opgeruimd, er leek nooit iets gebeurd. De reizigers keken niet op of om, de hal was weer onschuldig geworden.

Toch rijst onvermijdelijk de vraag: wat nu, Amsterdam? Moeten de bewoners voortaan angstig over hun schouder kijken, steeds voorbereid op onheil?

Burgemeester Halsema noemde het een afschuwelijke gebeurtenis, maar hoopte terecht „dat de Amsterdammers gewoon doorgaan met hun leven”. Ze legde uit dat de dreiging hetzelfde is als de dagen ervoor, dat zoiets altijd kan gebeuren, maar dat de Amsterdamse autoriteiten, zoals nu gebleken is, er goed op voorbereid zijn.

Het werd haar op internet door Rellerig Rechts, uiteraard onder aanvoering van GeenStijl en zijn reaguurders, onmiddellijk kwalijk genomen. Het was een ‘stoplap’ van ‘de burgermoedert’, hoonde de redactie. De reaguurders: „Neem je verantwoording en bescherm je volk domme linkse moslimknuffelkut.” „Doorgaan? Waarmee? Toezien hoe een groep ‘inwoners’ van bepaalde afkomst moordend en verkrachtend de stad lamlegt?” „Ja, Halsema, onze jihadistenimporteur, haalt gewoon d’r schouders op.”

Chemnitz ligt nog dichter bij Amsterdam dan we al dachten.

    • Frits Abrahams