Het dividendplan is gered – althans, financieel

Rijksbegroting Hoewel de financiële puzzel is gelegd, kan er nog veel misgaan rond de dividendmaatregel.

Premier Mark Rutte op de fiets naar het Catshuis. Foto Bart Maat

Ondanks aanzwellende kritiek heeft premier Rutte als eenzame pleitbezorger van de afschaffing van de dividendbelasting voet bij stuk weten te houden. Hoe sceptisch de coalitiepartners ChristenUnie en D66 er openlijk ook over waren – bij de interne begrotingsonderhandelingen heeft Rutte gewoon zijn zin gekregen.

Eind vorige week was het kabinet eruit: de rijksbegroting voor volgend jaar is rond en de concept-Miljoenennota is voor juridische toetsing naar de Raad van State gestuurd. Inclusief de meest omstreden maatregel uit het regeerakkoord: de afschaffing van de dividendtaks per 2020.

Luister ook naar deze aflevering van onze podcast Haagse Zaken, met alles wat je moet weten over de dividendbelasting.
U kunt zich ook abonneren via iTunes, Stitcher, Spotify of RSS.

Naast dit politiek lastige besluit – de coalitiebesprekingen verliepen volgens Rutte niettemin „in goede sfeer” – moest het kabinet vooral een financiële puzzel leggen. De opbrengsten uit de dividendbelasting, zo bleek deze zomer, vallen voor dit jaar circa een half miljard hoger uit. De afschaffing ervan zal dus ook navenant duurder worden. Minister Wopke Hoekstra (Financiën, CDA) moest nu dekking zoeken voor 1,9 miljard euro terwijl in het regeerakkoord met 1,4 miljard rekening was gehouden.

Bronnen rond het kabinet bevestigen dat de dekking op een relatief eenvoudige wijze is gevonden. De afgesproken verlaging van de vennootschapsbelasting zal iets minder zijn: het hoge vpb-tarief (voor bedrijven met een winst vanaf 200.000 euro) zal niet omlaag gaan van 25 procent naar 21 procent, maar (stapsgewijs) naar 22 procent. Een blik op de fiscale rekentabel van het ministerie van Financiën leert dat deze ene procentpunt minder tot een besparing leidt van een kleine 550 miljoen euro, genoeg om het grotere gat in de dividendbelasting op te vangen.

Kwetsbaar dossier

De coalitiepartijen binnenboord gehouden en de begroting rond; is daarmee voor Rutte de kous af? Geenszins, want aan de start van het nieuwe politieke seizoen blijft de afschaffing van de dividendbelasting als een kwetsbaar dossier boven het kabinet hangen. Onderweg naar de finale besluitvorming – de stemmingen over de begroting en het belastingplan in de Eerste Kamer eind december – kan er voor het kabinet nog van alles misgaan.

Lees ook: Trump heeft America First, Rutte het Oranjegevoel

De komende weken en maanden zijn er alleen al volgens de formele vergaderagenda nog zeker acht debatten waarbij het D-woord de hoofdmoot zal zijn. De oppositie zal onverminderd lastige vragen blijven stellen. Achtereenvolgens premier Rutte, minister Hoekstra en staatssecretaris Menno Snel (Financiën, D66) zullen het omstreden wetsvoorstel moeten blijven verdedigen. Bij de Algemene Politieke Beschouwingen (na Prinsjesdag), de Financiële Beschouwingen (begin oktober) en de behandeling van het Belastingplan (eind oktober en begin november; eerst in commissieverband, dan in plenair debat). Het circus herhaalt zich daarna in de Eerste Kamer. Die laatste democratische ronde is riskanter dan de eerste.

Los van het feit dat senatoren zich minder gebonden voelen aan coalitieafspraken zullen zij eerst een principiële vraag stellen. Waarom wordt het schrappen van de dividendbelasting in een verzamelwet opgenomen en niet als apart wetsvoorstel ingediend? Daar is het politiek en maatschappelijk ingrijpend genoeg voor. Een motie hierover – „eigenstandige wetsvoorstellen” vergen een „separaat politiek eindoordeel” – werd hierover in 2015 met algemene stem aangenomen. De indiener van deze ‘motie-Hoekstra’ is tegenwoordig minister van Financiën.

Tussendoor zijn incidenten niet uitgesloten. In de eerste helft van dit jaar ontstond de meeste ophef over de dividendbelasting na voor Rutte onwelgevallige publicaties over interne memo’s of speciale belastingafspraken met de Britse aandeelhouders van Shell. Wat nu als de beleggers in Unilever op hun aandeelhoudervergadering eind oktober besluiten om het hoofdkantoor toch niet in Rotterdam te vestigen? Dat was toch de quid pro quo achter de dividendmaatregel?

De maatschappelijke weerstand zal evenmin verstommen. In de voorbije maanden kregen de tegenstanders van het afschaffen bijval uit onverwachte hoek: grote beleggers, grote bedrijven en de financiële sector lieten zich in verschillende media sceptisch uit. Rode draad: niet veel mensen zijn overtuigd van het verband tussen de afschaffing van de dividendbelasting en de versterking van het economische vestigingsklimaat (het ultieme argument van Rutte).

Daarnaast vrezen de bankensector en het midden- en kleinbedrijf op te draaien voor de kosten ervan. Voor de banken geldt dat er een einde komt aan de fiscale aftrekbaarheid van converteerbare obligaties, de zogeheten coco’s. Hoewel niet gezegd is dat dit offer voor de afschaffing van de dividendbelasting is bedoeld, levert het de schatkist 150 miljoen euro op.

En hoewel de vennootschapsbelasting voor het midden- en kleinbedrijf in de komende jaren omlaag gaat – het lage tarief zal dalen tot 16 procent – is dit deel van het bedrijfsleven niet enthousiast over de afschaffing van de dividendbelasting. Volgens Hans Biesheuvel van lobbyclub ONL biedt die maatregel alleen financieel voordeel aan een kleine groep multinationals en niet aan de veel grotere groep zelfstandig ondernemers of familiebedrijven. Hij vermoedt dat de kosten voor het schrappen van de dividendbelasting grotendeels door het mkb moet worden opgehoest.

    • Philip de Witt Wijnen