Opinie

einde reces

Dividendkwestie zal het kabinet blijven achtervolgen

Gegeven de gunstige economische vooruitzichten zou de coalitie van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie fluitend aan het nieuwe politieke seizoen kunnen beginnen dat dinsdag aanvangt als de Tweede Kamer terugkeert van zomerreces. Het Centraal Planbureau voorziet in zijn laatste voorspellingen een aanhoudende groei. Het gevolg: werkloosheidscijfers die sinds 2001 niet zo laag zijn geweest, opnieuw een begrotingsoverschot en betere koopkrachtcijfers. Premier Mark Rutte (VVD) kon dan ook afgelopen vrijdag na afloop van de wekelijkse ministerraad melden dat het overleg over de begroting voor komend jaar die over drie weken op Prinsjesdag wordt gepresenteerd „in goede sfeer” was afgerond.

Maar toch. Ondanks de mooie perspectieven is de atmosfeer die om het kabinet hangt een heel andere dan die van optimisme. Nu is sfeer natuurlijk een subjectief begrip. Bepalend voor het oordeel over een kabinet dient het beleid te zijn. Het was Johan Rudolph Thorbecke die al in 1849 tegen de Tweede Kamer zei: „Wacht u op onze daden.”

En het is waar: de parlementaire geschiedenis kent vele voorbeelden van moeizaam opererende kabinetten die hun wettelijke termijn hebben uitgezeten. Spanning hoort bij coalitiekabinetten en dat geldt al helemaal als er, zoals nu bij het derde kabinet Rutte, vier partijen bij zijn betrokken en desondanks in de Tweede Kamer toch nog maar over een meerderheid van één zetel beschikt.

Dat het kabinet zo’n lusteloze indruk maakt voor een nog maar net aangetreden ploeg heeft verschillende oorzaken. Het begon al met de formatie die maar liefst 225 dagen duurde en daarmee de langste uit de geschiedenis is. Van de dit jaar overleden oud-premier Lubbers komt de uitspraak dat regeerakkoorden een vorm van „gestold wantrouwen” zijn. Van veel onderling vertrouwen was geen sprake getuige de eindeloze duur van de formatie.

Belangrijker nog is dat het kabinet vertrouwen weet op te wekken in de samenleving. Het regeerakkoord heet niet voor niets ‘Vertrouwen in de toekomst’. Het is zoals premier Rutte vorig jaar in zijn regeringsverklaring zei, geschreven „met begrip voor al die mensen die denken: eerst zien, dan geloven”. Hij kwalificeerde die gereserveerde houding toen als „terechte Hollandse nuchterheid”. Maar het is juist die nuchterheid die al ettelijke keren op de proef is gesteld.

Het pas ingevoerde raadgevend referendum werd op geforceerde wijze weer afgeschaft zonder het advies van een staatscommissie af te wachten. De als gevolg van gasboringen door aardbevingen geteisterde Groningers kregen te maken met telkens wisselende signalen uit Den Haag. Maar bovenal is er de door nog maar weinigen begrepen, nimmer in een verkiezingsprogramma geopperde afschaffing van de dividendbelasting voor buitenlandse aandeelhouders.

Deze „meloen” die volgens één van de coalitiepartners, de ChristenUnie, moest worden doorgeslikt fungeert inmiddels als een molensteen voor het kabinet. De economische noodzaak van de maatregel is ver te zoeken, politiek prestige lijkt doorslaggevend. Vorige week besloot het kabinet met de tandenknarsende steun van twee coalitiefracties (D66 en ChristenUnie) de voorgenomen afschaffing toch door te zetten.

Hiermee dreigt de dividendkwestie uit te groeien tot metafoor voor een kabinet dat met de rug naar de samenleving staat. Pijnlijk voor een kabinet dat nog zo lang te gaan heeft en vertrouwen zoekt.