Opinie

    • Sjoerd de Jong

Jos B. en de initialenregel: een Stijlboek is er niet voor niets – of pas het aan

Het was meganieuws, de aanhouding van Jos B., verdacht van betrokkenheid bij de dood van Nicky Verstappen in 1998. Bij het AD en De Telegraaf knalden zijn volledige naam én foto van de voorpagina.

Ook media die in de regel geen „verlengstuk” van politie willen zijn, hadden toen al gebroken met de regel dat een verdachte wordt aangeduid met voornaam en initiaal. Ook opmerkelijk: nadat B. was gepakt, schakelden ze conform justitie subiet „terug” naar de initiaal. De pirouette leidde tot krampachtige hoofdredactionele verklaringen bij kranten en publieke omroep en ambachtelijke discussie.

NRC hield, na een korte afwijking op de site, consequent aan de regel vast – terecht. Ook bij deze krant is de initialenregel niet absoluut, maar geen van de uitzonderingen in het Stijlboek was hier van toepassing: Jos B. is geen publieke functionaris, trad niet zelf naar buiten en was niet al algemeen bekend bij het publiek. Ik kreeg geen klachten van lezers over die terughoudendheid.

Is die houdbaar?

Argumenten van andere media: de naam was door de politie openbaar gemaakt en dus algemeen bekend (bescherming van zijn privacy was daardoor een illusie), de man was door zijn familie opgegeven als vermist, én de naam diende het opsporingsbelang. Ook de grote maatschappelijke impact van de twintig jaar oude zaak werd aangevoerd.

Alles bij elkaar leest die uitleg toch vooral als een klompendans van gelegenheidsargumenten.

Ja, B. was opgegeven als vermist – maar het ging natuurlijk om zijn mogelijke daderschap. Opsporing van daders is een taak van de politie, die op eigen kanalen (en in het programma Opsporing Verzocht) naam en foto van een voortvluchtige kan plaatsen. Onduidelijk bleef waarom media nu opeens wel wilden helpen bij de opsporing, en in andere gevallen niet.

En algemeen bekend? Ook NRC hanteert een ‘potsierlijkheidsregel’, maar die betreft personen die al bekend waren vóórdat ze verdachte werden, niet ‘gewone’ burgers die algemeen bekend worden door hun misdrijf. De krant schrijft – net als andere – nog steeds over ‘Mohammed B.’, veroordeeld voor een misdaad met enorme gevolgen.

Ook het argument dat B.’s privacy toch al was geschonden overtuigt niet: het gaat niet alleen om de huidige privacy van een verdachte, maar ook om zijn toekomstige (na een eventuele straf) en die van familie en naamgenoten. Je kunt dat onzin vinden, maar schaf de regel dan af en schuif de verantwoordelijkheid niet af op politie en justitie.

Nu weer terugschakelen is ook vreemd: de impact van het misdrijf, een van de argumenten, was na zijn aanhouding echt niet kleiner geworden. En hoe kan privacy ineens weer „zwaarder wegen” na een aanhouding (NOS, 27/8), als die al zo geschonden is dat er „niet zoveel meer te beschermen viel” (NOS, 23/8)?

Lastig, als je zoiets per geval wilt gaan beslissen – daarom is er nu juist die regel.

Niettemin, ook bij NRC leidt die geregeld tot verwarring en inconsistenties en niet iedereen vindt de regel reëel, nu namen van verdachten in luttele uren door sociale media suizen. Zo schreef nrc.next in 2011 de naam van Tristan van der V., de schutter uit Alphen aan den Rijn, voluit, omdat die al overal opdook. NRC Handelsblad hield het op ‘Van der V.’ Dat bleef sindsdien de lijn.

Soms leidt de regel ook tot bizarre ambivalenties, die de krant dan maar op de koop toe neemt. In een stuk over atoomspionage in 2004 figureerde Henk S. met zijn bedrijf Slebos Research, en vier jaar eerder trad Perry W. als verdachte aan, eigenaar van het bedrijf Wacker Transport.

Je kunt er uiteraard over discussiëren. Ja, privacy is een schaars goed geworden. Maar moet de krant zich daardoor laten leiden? Zoals een toenmalig adjunct eens opmerkte over de initialenregel: we doen het zo, omdat we het altijd zo hebben gedaan.

Dat mag klinken als wereldvreemd conservatisme, het is juist een heel goed argument. Lezers verwachten consistentie en een eigen lijn van een krant, geen gezwalk onder druk van sociale media of massale publiciteit elders. Voorspelbaarheid is het zusje van betrouwbaarheid.

Het alternatief is: pas het Stijlboek na grondig debat aan. Ik zou daar niet voor zijn, maar het verdient de voorkeur boven ad-hocbeslissingen. Daarbij gaat het dan ook om het karakter van een krant, om het accent dat die wil geven aan misdaadberichtgeving, en om de vraag of een medium partner wil zijn van justitie of daar, zoals NRC, afstand toe wil bewaren. In de Angelsaksische wereld is het anders, daar worden verdachten met naam en soms adres genoemd; maar wel vanuit een andere journalistieke traditie en een ander rechtssysteem, inclusief juryrechtspraak.

Er zit nog een ander aspect aan de zaak, dat mogelijk verklaart waarom media de initialenregel zo snel aan de kant schoven. Het zoeken naar vermiste slachtoffers of voortvluchtige daders is een nationaal drama geworden; zie de broertjes Ruben en Julian in 2013 en de vermissing van Anne Faber vorig jaar. De „massale jacht” (De Telegraaf) op Jos B. is het jongste voorbeeld.

Misschien is het een nieuwe vorm van saamhorigheid, de behoefte om ‘met zijn allen’ iets op te lossen, in een maatschappelijke werkelijkheid die wordt getekend door verdeeldheid en cultuurstrijd. Zeg maar de donkere variant van de collectieve euforie rond de Elfsteden-prestatie van Maarten van der Weijden.

In zulke zaken regeert dan al snel de emotie. Maar je verstand blijven gebruiken is ook een goed idee – en je Stijlboek.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong