Plots besluit om wedstrijd te stoppen is typisch Wilders

Mohammed-cartoonwedstrijd Het lijkt atypisch: Wilders die wijkt in de cartoon-kwestie. Maar het past in een patroon van verrassende besluiten.

Foto Daniel Leal-Olivas / AFP

Wat is er in Geert Wilders gevaren? Angst? Redelijkheid? Zijn besluit om af te zien van een aan de profeet Mohammed gewijde cartoonwedstrijd wekt alom verbazing. „Het is niet des Wilders om te wijken”, zegt arabist Jan Jaap de Ruiter (Tilburg University), die een boek over de PVV-ideologie schreef.

Is de PVV-leider soms geschrokken van de ophef die, vooral in Pakistan, is ontstaan? Is hij gewaarschuwd dat hij Nederlanders die in islamitische landen werken, in levensgevaar brengt? Is hij onder druk gezet? Wilders verklaarde dat hij het evenement afblaast „om het risico op slachtoffers van islamitisch geweld te vermijden”. Vrijdag twitterde hij, in het Engels, dat „de veiligheid en beveiliging van mijn landgenoten voorop staat”. Premier Rutte benadrukte vrijdag na afloop van de ministerraad dat Wilders helemaal uit zichzelf heeft besloten om de wedstrijd niet door te zetten. Er is wel contact geweest, zegt Rutte, maar niet om hem te bewegen van het evenement af te zien.

Koen Vossen, politiek historicus aan de Radboud Universiteit Nijmegen, was verbaasd toen hij het nieuws hoorde. Tegelijkertijd vond hij het juist ook weer typisch Wilders. „Hij neemt graag onverwachte, impulsieve besluiten”, zegt Vossen, auteur van het boek Rondom Wilders. Hij wijst erop hoe hard Wilders in 2004 met de VVD brak. Hoe de PVV-leider het door hem gedoogde kabinet-Rutte I vrij plotseling opblies in 2012. „Je kunt er duidelijk een patroon in zien”, zegt Vossen. Een bokkige Wilders die plotseling de redelijkheid zelve is, past daar volgens hem ook in.

Lees ook het hoofdredactioneel commentaar: Niet uitingsvrijheid, maar ophitsen was Wilders' doel

Wat is er gebeurd tussen de anti- islam-film Fitna (2008), toen Wilders wél doorzette, en de huidige cartoonwedstrijd? Is hij milder geworden? Arabist De Ruiter gelooft er niets van. Hij denkt eerder dat de PVV-leider is geschrokken van „het door hemzelf aangerichte slagveld”. Ten tijde van Fitna was er internationaal ook ophef, maar vooral op het niveau van regeringen en diplomaten. Ditmaal roerde de straat zich veel meer: in Pakistan waren felle protesten en wilden betogers oprukken naar de Nederlandse ambassade.

Vossen wijst erop dat Wilders met Fitna ook niet helemaal doorpakte: hij zag af van een scène waarin Koran-pagina’s zouden worden verscheurd en verbrand, een scène die voor nog grotere ophef zou hebben gezorgd, maar die Wilders ook té fanatiek had kunnen doen lijken. „Het probleem met provocaties is dat je steeds verder moet gaan om nog effect te sorteren”, zegt Vossen. „Dat kan ook te negatief uitpakken.” In zijn verklaring legt Wilders alle verantwoordelijkheid voor eventuele onschuldige slachtoffers nadrukkelijk bij aanslagplegers, maar zegt hij te willen voorkomen dat de cartoonwedstrijd „als excuus voor islamitisch geweld” wordt gebruikt.

Omdat de PVV leden noch structuur kent, moet Wilders het volgens Vossen hebben van media-aandacht, en juist daarmee is het de laatste tijd slecht gesteld. Het uitschrijven van de cartoonwedstrijd was daarom een logische zet. Maar de les van Fitna is volgens Vossen ook dat de opwinding naar zo’n evenement toe groot is, en dat het eindresultaat altijd teleurstelt. „Stel dat er alleen maar hele treurige, slechte cartoons zouden zijn ingezonden? Bij Fitna zeiden mensen ook: is dit het nou?”

    • Stéphane Alonso