Na het lawaai van de zomer

kiest gedichten uit vakantielanden
Foto iStock

Het is deze week weer druk op het fietspad: jongeren met overvolle schooltassen, ouders met tegenstribbelende peuters, mensen in pak met een aktetas onder de snelbinders. De zomer zit er bijna op, we moeten weer aan het werk om ons de reizen waar we naar uitzien te kunnen permitteren.

Veel kennissen gaan ieder jaar steeds grootser en luxer op vakantie, ter compensatie van hun stressvolle bestaan. Dat moeten ze zelf weten – ik merk dat ik in drukke jaren ook het liefst zo ver mogelijk van huis trek, maar soms is het een geruststellende gedachte dat die ontspanning ook vlakbij te vinden is. Eerder in deze reeks schreef ik dat het lezen van gedichten een soort trip kan zijn. Niet per se een comfortabele onderneming als wel iets waar je verbreed en soms zelfs een heerlijk beetje overgeïnformeerd uit terugkeert.

Toen ik jaren geleden voor het eerst naar Noorwegen ging, las ik me ter voorbereiding door een stapel Noorse poëzie heen. Het werk van Rolf Jacobsen (1907-1994) maakte enorme indruk. Uit zijn gedichten spreekt een groot mededogen: met de natuur, maar ook met techniek. Zo is er een vers waarin hij de arme graafmachines die een bos moeten ontmantelen beweent: ze zijn, net als de natuur, ook maar een pion in de vernietigingsdrift van de mens.

En waar mededogen is, is ook een vorm van troost. Bovenstaand vers gebruik ik altijd als mijn out-of-officereply wanneer ik op reis ben. Het herinnert me eraan dat hetgeen we zoeken, soms vlakbij is. Dat stilte niet altijd een naderende storm betreft, maar ook een tederheid. En dat we, na het lawaai van de zomer, misschien in de herfst iets vinden, een rust waar we jaarlijks kilometers voor afleggen, maar die zich al die tijd stiekem schuilhield achter onze voet.

    • Ellen Deckwitz