Kleding weggedaan, maar gelukkig heb ik de foto’s nog

Herinneringen Kleren wegdoen is niet altijd makkelijk. Anne Martens fotografeerde wat ze wegdeed en schreef bij elk kledingstuk een herinnering.

‘Ik paste hem en hij paste mij”, zei ik altijd wanneer iemand me een compliment gaf over mijn spijkerbroek. Blauwzwart was hij, model bootleg. Een half jaar lang was er geen beter moment dan wanneer ik ’s ochtends de douche uitstapte en die broek aan het wasrek zag hangen. Het maakte die dag niet uit welke schoenen of trui ik aantrok, alles stond.

Helaas was de magie van de broek eindig. Hij kreeg na verloop van tijd slijtplekken op plaatsen waar hij zo modieus gebleekt was. De stof werd zacht en harig, als ik wilde zou ik mijn vinger door de stof heen kunnen prikken.

Van mijn jongste broertje kreeg ik voor mijn verjaardag eens een gebreide muts met een wit pomponnetje. De muts was gevoerd met fleece en de oorflappen kon je met touwtjes dichtknopen. Alleen, zodra ik hem opzette begonnen mensen Engels tegen me te praten. Vooral in winkels. Het duurde even eer ik het doorhad: de muts maakte me een Amsterdamse toerist. Weggooien kon ik niet, ik had hem toch van mijn broertje gekregen?

De lichtgrijze fleecetrui droeg ik toen ik bij een kampvuur zoende met een jongen. Ik was achttien en op vakantie in Duitsland. Hij was een weekje met verlof uit de bak, om te wennen aan de maatschappij, bleek later. Zijn sigaret liet een smeltplekje achter op de voorkant van mijn trui.

Zeker twee jaar lagen ze ongebruikt in mijn kast, de broek, de muts en de trui. Samen met andere kleren die kapot of uit de mode waren. Het korte rode jurkje dat ik met mijn moeder kocht in de Spuistraat in Den Haag, toen ik twaalf was en net borstjes kreeg. Het zwarte T-shirt met vogeltjes erop, dat altijd binnen een paar uur naar zweet stonk. De bruine broek die ondraagbaar was door een chloorspetter, van toen ik eens een wc schoonmaakte in Kroatië.

Zo kwamen de niet gedragen kleren steeds meer onderop de stapels te liggen. Tot ik ze tijdens een opruimwoede in een vuilniszak propte en die op zolder zette. Wat maakte dat wegdoen toch zo lastig? Ik was gewoon bang, bang om met die kledingzakken ook alle herinneringen in de kledingbak te kieperen.

Alles uit de zak en op de foto

Zo’n vijftien jaar geleden begon ik met het maken van foto’s van elk kledingstuk. Meestal ging dat snel: hops alles uit de zak, gekreukt aan een hangertje, klik. Vervolgens maakte ik er fotoboekjes van en typte bij elke afbeelding in een paar regels de herinnering die erbij hoorde. Het werkte. De kleding kon moeiteloos weg.

NRC gidst je richting een duurzaam leven: Al mijn overhemden, broeken, pakken en jassen zijn tweedehands

Kijkend naar de foto’s, het zijn zo’n 250, zie je een soort curriculum vitae. Sokken met ‘83’ erop verraden mijn geboortejaar, aan de T-shirts zie je dat ik aan de Vrije Universiteit studeerde, bij een studentenroeivereniging zat en werkte voor een radioprogramma. Verder zou je kunnen opmerken dat ik op naailes zat en gebackpackt heb.

De serie zegt ook iets over mijn koopgedrag, dat wel iets aangescherpt mag worden. Die lichte bezetenheid die je dingen in de uitverkoop laat kopen, zoals een lila wikkelrok met witte bloemen, omdat je denkt dat je er wel het type voor bent. Die bezetenheid die gepaard gaat met een vreemd soort logica. Wanneer alle S’jes en M’etjes op zijn en je dus met een (te) large model in de kleedkamer staat en denkt: de jurk is te groot, maar ik doe het lekker toch.

Van links naar rechts:
1 „Gedragen op het kerstsoiree in de derde klas middelbare school, met een zwart rokje. We hadden stijldanslessen gehad, maar op het feest durfde niemand te dansen.”

2 „Op schoolreis in Turkije kocht iedereen nepmerkkleding. Dit bloesje van Ralph Lauren was zó niks voor mij.”

3 „Dit shirt kwam nog uit de voorraad van de herenmodezaak van mijn opa. Het had tientallen jaren gelegen in een garage in Rijswijk gelegen. Dat sentiment maakte het lastig wegdoen.”

4 „Voor 5 euro gekocht in Hoog Catharijne. In de paar minuten voor de trein zou vertrekken.”

Bij tweedehandskleding gaat het kopen iets anders. Het vergt juist doorzettingsvermogen om tussen duizenden unica iets te vinden wat je raakt. Soms kun je jarenlang trots zijn op zo’n vondst. Maar vaker gaat het kledingstuk toch na een paar keer dragen weer terug de kringloop in. Het was het ‘net niet’, er zat een slijtageplek op, of bleef een beetje anders ruiken, zelfs na een paar keer wassen.

Lees ook: Waarom ruikt tweedehands kleding overal hetzelfde?

Ik heb nooit zo nagedacht over waar mijn weggegooide kleren zich nu zouden bevinden. Misschien hangt een van mijn bloesjes nog bij iemand in de kast. Of viert een vrouw een feestje in mijn inmiddels derdehands jurk. Dat zou mooi zijn. Alleen dat zweetshirt met die vogeltjes… ik mag hopen dat de katoenvezels daarvan inmiddels verworden zijn tot dashboardvulling in de auto-industrie.

    • Anne Martens