Foto Annabel Oosteweeghel

‘Ik probeerde te zwemmen, maar er gebeurde gewoon niks’

Gijs van Hoogstraten (26) raakte op zijn achttiende grotendeels verlamd. Vrienden van zijn ouders doneerden geld voor een aangepast huis, zijn vrienden verzorgden hem jarenlang bij toerbeurt. „Ik had het idee dat veel mensen mijn situatie nog kutter vonden dan ikzelf.”

De mooiste gesprekken voert Gijs van Hoogstraten (26) als zijn vrienden hem naar bed brengen. Mannen in groepen hebben de neiging om te acteren, vindt hij. Houden een wedstrijdje wie het hardste schreeuwt en de leukste grappen kan maken. Hoe het echt met „de boys” gaat, hoort hij sneller als ze hem in zijn elektrisch verstelbare bed tillen, zijn broek van zijn benen afstropen, zijn kussens opkloppen en de dekens over hem heen leggen. Dan zijn het toch best gevoelige jongens.

Van Hoogstraten praat met een volume alsof zijn gesprekspartner aan de andere kant van de woonkamer zit, in plaats van tegenover hem aan tafel. Hij is vanaf de bovenkant van zijn borst verlamd, kan zijn buik- en rugspieren niet gebruiken, en moet daarom relatief hard werken om geluid te produceren. Hij heeft sowieso een „aparte relatie met ademen”, zegt hij. „Ik ben bijna verdronken, maar daarna heb ik drie maanden aan de beademing gelegen, waardoor er littekenweefsel in mijn luchtpijp is ontstaan. Na het ongeluk ben ik nog een keer gestikt en gereanimeerd.”

Het had een feestvakantie moeten zijn. Hij was achttien, had zijn eerste jaar natuurkunde aan de TU Delft afgerond en ging met zijn jaarclub van studentenvereniging Virgiel naar Siófok, een badplaats in Hongarije. Na een lange busreis ging hij met een vriend het stadje verkennen. Ze hadden spelletjes gespeeld in een gamehall en gingen daarna aan een kanaaltje „chillen”.

En toen dook hij in het water. Het was geen stoerdoenerij. Hij had het warm en dacht dat het wel kon, zegt hij. „Ik knalde met een enorme dreun op een steen en was direct verlamd. Ik probeerde te zwemmen, maar er gebeurde gewoon niks.”

Ik voelde een sterke wil om te leven. Gijs bestond even niet meer. Het was groter dan ikzelf

Gijs van Hoogstraten

Hij was volledig bij bewustzijn toen hij in het water zweefde, zegt hij. „Ik wist: of het is klaar, of iemand vist me eruit. Maar ik wilde niet dood. Ik voelde een sterke wil om te leven. Dat gevoel is niet uit te leggen. Het was een bijzonder helder moment. Ik ervoer de kracht van het leven, van the fucking universe. Gijs bestond even niet meer. Het was groter dan ikzelf.”

Wat er gebeurde nadat zijn vriend hem uit het water sleurde, heeft hij in een roes ervaren. Zijn nek was gebroken, zijn schedel opengescheurd. Achteraf hoorde hij dat sommige omstanders hem aan het filmen waren, en dat zijn vriend woest en wanhopig naar hen riep dat ze de hulpdiensten moesten bellen.

Moeilijke boeken om in slaap te vallen

De reacties van zijn omgeving maakten diepe indruk op hem. Hij vertelt over de „lijkbleke koppies” van zijn clubgenoten die aan zijn bed verschenen toen hij naar een Hongaars ziekenhuis was overgevlogen. Over de rust die hij voelde toen de reisleidster hem vertelde dat zijn vader onderweg was, die moeilijke boeken van Romeinse schrijvers aan hem voorlas waar hij van in slaap viel. Over zijn sterke moeder die in huilen uitbarstte zodra ze hem een week later in het Deventer Ziekenhuis zag, met zijn hoofd in het verband, een brace om zijn nek en een beademingsbuis in zijn strot. „Ik had het idee dat veel mensen mijn situatie nog kutter vonden dan ikzelf.”

Met satéprikkers controleerde de neuroloog waar Van Hoogstraten nog gevoel had. Hij begon bovenaan en kwam niet ver. „De diagnose was duidelijk en hard: een complete dwarslaesie ter hoogte van mijn vijfde en zesde nekwervel. Ik heb keihard gehuild toen ik het te horen kreeg, maar nu wist ik wel waar ik het mee moest doen. Een incomplete dwarslaesie had ik vervelender gevonden. Dan had ik de rest van mijn leven nog gehoopt dat bepaalde functies zouden terugkeren.” Hij kan zijn nek bewegen, zijn armen optillen en zijn handen gebruiken. Maar heeft de fijne motoriek in zijn vingers verloren en voelt niets vanaf onder zijn tepels.

Foto Anabel Oosteweeghel

Tien maanden zat hij in een revalidatiecentrum. „Je moet alles opnieuw leren, te beginnen met zitten. Mijn zitschema begon met een kwartiertje in de rolstoel. Ik ben nog nooit zo moe geweest.” Hij woonde nog een jaar bij zijn ouders, die hem hielpen om de draad van zijn leven weer op te pakken. Hij ging uit met zijn drie jongere broers, leerde fietsen met een handbike, en begon weer met studeren. Zijn sommetjes maakte hij op de Ipad. Met de zoomfunctie van een schrijfapp lukte het hem om cijfers en letters te schrijven, had hij uitgevogeld. Hij had onder water besloten dat hij wilde leven, dus zou hij er het beste van maken ook.

Carebears

Hij was vastbesloten om zijn studentenleven weer op te pakken. Op initiatief van zijn vader werd Stichting Gijs weer Zelfstandig opgericht. Veertig vrienden en kennissen van zijn ouders doneerden genoeg geld om een appartement in Delft kopen en aan te passen. Aan zijn clubgenoten vroeg hij of ze zijn verzorgers wilden worden. Het voelde natuurlijker om te worden geholpen door mensen die dicht bij hem staan, merkte hij toen zijn broers hem naar bed brachten in plaats van de thuiszorg. „Een mannetje of tien zeiden direct dat ze een vaste dag op zich wilden nemen.”

’s Ochtends kwam de thuiszorg langs om hem te wassen en zijn ontbijt te maken. Zijn clubgenoten hielpen hem met avondeten en legden hem beurtelings in bed. De carebears, noemden zij zichzelf. Een middelbareschoolvriend kwam bij hem in huis wonen, zodat er bijna altijd iemand in de buurt was om hem te helpen. Als hij iets had laten vallen bijvoorbeeld, of naar rolstoelrugby gereden moest worden. Zijn huis werd het centrum voor borrel- en filmavonden, al kwam hij ook vaak genoeg op feestjes. Natuurlijk ging dat weleens mis. Kieperde hij uit zijn rolstoel, of stroomde zijn plaszak over omdat die niet op tijd was geleegd. Maar hij was er wel.

Lees ook het interview met Edwin de Wolf (46). Als militair in Bosnië stapte hij op een mijn en verloor zijn been: ‘Ik vergat soms dat ik maar één been heb’

Zijn vrienden maakten het leven lichter, zegt hij. Waren niet te beroerd om geintjes met hem uit te halen. Zo had een clubgenoot kraaltjes om de spaken van zijn rolstoel gedrukt, zodat hij wekenlang rinkelend door de gangen van de universiteit rolde. Het laatste wat hij wil is medelijden, zegt hij. „Het leven is voor niemand makkelijk. Iedereen heeft zijn eigen verhaal. Hoeveel mensen van mijn leeftijd zitten bij de psycholoog? Als je een werkend lichaam hebt, wil dat niet zeggen dat je geen problemen hebt. Mensen die mij op straat zien rollen, kijken vaak met angstige blik naar mij. Dan denk ik: Waarom kijk je zo. Wat weet je ervan af?”

Verantwoordelijkheid

Is hij nooit ongelukkig geweest door zijn handicap? „Ik had een mindere periode toen ik mijn bachelor had gehaald en in 2016 een tussenjaar inlaste. Ik was helemaal op. Had constant blaasontstekingen. Het was te veel geweest: sport, studie, mijn sociale leven. Ik wilde alles doen, terwijl opstaan en naar bed gaan mij alleen al drie uur per dag kost.

„Bovendien kregen mijn vrienden langzamerhand banen en verhuisden ze naar andere steden. Zij hadden altijd veel voor mij gefikst. Nu lag het balletje weer bij mij. Ik voelde me daar best alleen in, ook al wist ik dat ik mijn verantwoordelijkheid moest nemen.”

Inmiddels wordt hij voornamelijk geholpen door zijn nieuwe huisgenoot, zijn broer Daan die ook in Delft ging studeren, en vrienden van vrienden. De kring van jonge mensen die hij om zich heen verzamelt, blijft zich uitbreiden, zegt hij. „Ik ben iedereen diep dankbaar. Mijn familie, die het ankerpunt in mijn leven vormt, oude en nieuwe vrienden. In een rolstoel zitten heeft mij doen beseffen dat je van anderen afhankelijk bent. Niet alleen in praktisch opzicht, maar ook op emotioneel niveau. Daarom wil ik er ook voor hen zijn. Ik hoef niet alleen te horen dat alles goed met je gaat. Ik stel graag vragen om door de façade heen te prikken.”

Dit studiejaar zal Van Hoogstraten zijn master theoretische natuurkunde beginnen. Wat hij daarna gaat doen, weet hij niet. Net zoals hij niet weet of hij ooit een gezin zou willen. „Ik heb niet per se het gevoel dat het leven op een bepaalde manier moet lopen, of dat bepaalde dingen moeten lukken. Ik ga lekker studeren en dan zie ik wel weer. Ik leef, en dat is het belangrijkste.”

    • Manouk van Egmond