Het is hollen of stilstaan met windmolens

Windparkbouwers Er komen in Europa jaarlijks honderden windturbines op zee bij, maar juist in 2020 worden er weinig opgeleverd. De vraag naar funderingen viel zo bijna stil.

De Sif-fabriek op de Tweede Maasvlakte . Foto Ries van Wendel de Joode/HH

Het is niet leuk om in je halfjaarcijfers te melden dat de productie nagenoeg tot stilstand is gekomen. Dat deed het Nederlandse Sif (omzet 327 miljoen euro, 600 werknemers) een week geleden. Sif, dat genoteerd is aan de Amsterdamse beurs, bouwt stalen funderingen voor windmolens op zee. Het zijn bovenmaatse buizen van soms meer dan honderd meter lang, gemaakt van een miljoen kilo staal.

Het Nederlandse bedrijf kan er iedere week drie à vier afleveren. Sif, dat eerder vooral funderingen maakte voor boorplatforms, ontwikkelde zich de afgelopen jaren tot de grootste bouwer van funderingen voor windparken op zee in Europa. En hoewel de Duitse staalverwerker EEW die koppositie misschien overneemt, is het Nederlandse bedrijf zeker een van de hoofdrolspelers in de Europese markt voor de bouw van offshore windparken.

Toch was er dit voorjaar weinig te beleven in de fabrieken van Sif in Roermond en op de Tweede Maasvlakte, vertelde het bedrijf over de halfjaarcijfers. „Ik denk niet dat we dit als bedrijf eerder hebben meegemaakt”, zegt plaatsvervangend bestuursvoorzitter Leon Verweij erover. „Er ontstond een gat in de markt”. In juni, op het dieptepunt, werden bijna driehonderd tijdelijke werknemers naar huis gestuurd. De 260 vaste krachten besteedden hun tijd aan groot onderhoud in de fabriek in Roermond: ze haalden de machines en hijskranen uit elkaar en keken ze na. Een week later stond het aandeel 3 procent lager dan voor de bekendmaking van de halfjaarcijfers.

Horten en stoten

Geen werk, en dat terwijl er van de Oostzee tot de Franse westkust plannen worden gemaakt voor parken van honderden windturbines. „En het is niet eens zo dat wij verloren hebben en onze concurrenten gewonnen. Iedereen heeft er last van”, zegt Verweij.

Dat is niet zo raar als het lijkt, legt woordvoerder Joël Meggelaars van de Europese branchevereniging WindEurope uit. „We zitten in een situatie waarin de markt afwisselend oververhit en onderkoeld raakt.”

Ieder jaar worden er in West-Europa meer windparken op zee gebouwd – het is met afstand de grootste markt voor offshore windparken wereldwijd, China staat op plek twee.

Alleen al in Nederland staat er inmiddels bijna 1 gigawatt (ruim 300 molens) op de Noordzee, en er zijn plannen om tot 2030 nog 10,5 gigawatt (GW) bij te bouwen. Het Verenigd Koninkrijk gaat aan kop: het land zou met zijn huidige plannen maar liefst 30 GW aan windturbines kunnen neerzetten tot 2030.

Lees ook: Windmolens kunnen in 2050 een kwart van de Noordzee innemen

Die Europese groei verloopt echter met steeds grotere horten en stoten. In de winter en lente van 2018 kwamen er in heel Europa weinig windparken gereed, meldde WindEurope recent in zijn halfjaarbericht. Deze zomer ging het juist voorspoedig met de bouw, en vond een inhaalslag plaats. „Door het windstille weer kon er op zee goed doorgewerkt worden”, zegt analist Daniel Fraile van WindEurope.

Dat de pieken hoger worden en de dalen dieper, komt doordat de windparken op zee steeds groter worden, met hogere en krachtigere molens – en dus neemt het aantal orders af. Een paar geleden gold een windpark van 0,2 of 0,3 gigawatt al als groot. De vijf windparken die de komende jaren in de Nederlandse Noordzee verrijzen, zijn elk 0,7 gigawatt. Joël Meggelaars: „En in het Verenigd Koninkrijk wordt nu gewerkt aan een park dat groter is dan 1 gigawatt.”

Om uiteenlopende redenen zullen er juist in het jaar 2020 weinig windparken in Europa worden opgeleverd, voorziet de branchevereniging nu al. En het is die opvallende dip waarvan Sif, als bouwer van funderingen, het afgelopen kwartaal last had. Van het bouwen van de fundering van een windpark tot de aansluiting op het elektriciteitsnet verstrijkt al gauw anderhalf jaar. Sif had de dip ruim een jaar geleden al voorzien en aangekondigd.

Die dip heeft invloed op alle fabrikanten van windmolen-funderingen, somt bestuursvoorzitter Verweij op. EEW is nog bezig met een opdracht voor het Deense energiebedrijf Ørsted. „Maar verder is er niks in de markt.”

Volgens Verweij gaat de Duitse branchegenoot Steelwind Nordenham zelfs tijdelijk dicht tot komend voorjaar. Directeur Ralf Hubo ontkent. „Daar is geen beslissing over genomen”, mailt hij. Maar, geeft hij toe: de markt is „erg zwak”.

Bekijk hieronder hoe de fundering van een windmolen wordt gemaakt:

De flauwte heeft uiteenlopende oorzaken. In België bijvoorbeeld besloot de overheid dit jaar opnieuw te onderhandelen over de subsidies voor nieuwe parken, toen wind in de Nederlandse Noordzee snel goedkoper werd. (Inmiddels gaat het Zweedse Vattenfall hier zelfs al een park bouwen zonder subsidie.) En Duitsland is bezig met de overstap naar een ander subsidie-systeem, wat de veiling van nieuwe projecten ook vertraagt.

Herstel

Sif voorziet wel een snel herstel van de markt. Het sprak bij de presentatie van de halfjaarcijfers zelfs van een „naderende hausse” voor de offshore wind-industrie. Branchevereniging WindEurope voorziet dat er in de Europese zeeën straks jaarlijks 5 GW aan nieuwe windparken wordt bijgebouwd – nu is dat jaarlijks nog zo’n 3 GW. Buiten Europa zijn intussen Japan, Taiwan en de Verenigde Staten uit de startblokken, met omvangrijke plannen voor de lange termijn waarvoor nu aanbestedingen worden gedaan.

EEW heeft al een fabriek in Zuid-Korea, en ook Sif overweegt de stap naar Oost-Azië. Verweij van Sif: „In Europa is de productiecapaciteit net toereikend voor de vraag. Nu er internationaal een nieuwe stroom projecten op gang komt, moeten alle partijen beslissen hoe ze erop inspelen.”

    • Hester van Santen