Even blijven staan bij het verzetsbeeld

Foto Rien Zilvold

Vind maar eens een beeld met zo’n toepasselijke naam: Ongebroken Verzet. Het beeld van Hubert van Lith staat op het Kruisplein alsof hij er altijd al heeft gestaan, en er altijd zal blijven ook. Ongebroken, onverstoord, volhardend en standvastig. Er zal expres geen bankje bij hem zijn neergezet: je blijft maar even staan, net als hij. De onbekende man van brons staart met gescheurde kleren en op blote voeten in de verte. Niet wanhopig of berustend, maar onverzettelijk. Wat er ook komt, hij is er klaar voor, en iedereen die hem ziet krijgt een klein beetje van die onverzettelijkheid. Ook al druipt hij soms van de duivenpoep.

Soms merk je hem niet eens op. Hij staat daar onnadrukkelijk aan de rand van het plein op de kop van de Westersingel, terwijl rond hem het verkeer in verschillende snelheden kolkt. Trams, auto’s, fietsers en voetgangers krioelen ongehinderd door stoplichten om hem heen. Lijn 21 en 23 voorlangs, de 4 en de 7 langs zijn rechterzij. Er razen scooters richting Eendrachtsplein, verlaagde Volkswagentjes tuffen de West-Kruiskade op, en mannen en vrouwen met fietsen vol kinderen racen het centrum in. Steeds meer toeristen gaan met ’m op de foto en tegen de avond zie je hier de twijfelaars tussen Sumo, Pho en Oriental Expres, misschien op weg naar een voorstelling in De Doelen, hier tegenover, of een film in de Pathé een straat verder. De stad is overal in beweging, maar hier is de stad echt niet te houden.

Wie wordt herdacht?

Het beeld kwam er niet zomaar. Er woedde een jarenlange discussie wat voor beeld er precies moest komen en wie er nou precies herdacht moesten worden op die plek: alle gevallenen in Rotterdam, of alleen het verzet? Pas in 1960 kreeg de Amsterdamse beeldhouwer Hubert van Lith de opdracht een ontwerp te schetsen dat recht zou doen aan de daadkracht van het verzet, maar waar ook anderen die in de oorlog omkwamen mee zouden worden herdacht. Niet voor niets stond bij de onthulling nog alleen ‘Ongebroken’ op de sokkel, en pas later, onduidelijk is wanneer, is daar in een kleinere letter ‘verzet’ bijgekomen.

Ook het soort beeld was onderwerp van discussie. De stichting Herrijzend Rotterdam, die zich ten doel stelde verzetsmonumenten in de stad tot stand te brengen maar ook aan stadsverfraaiïng deed, had tot dan vaak voor moderniteit gekozen. Met abstracte beelden als Marino Marini’s De Vallende Ruiter in Charlois, en Gli Amanti van Umberto Mastroianni in het Centraal Station, dat later op het beeldenterras aan de Westersingel is gezet. Van Liths onverzettelijke man was nogal traditioneel, en sommigen vonden dat je daar niet meer mee aan kon komen. Kunstverzamelaar Ludo Pieters zei, zo schrijft Siebe Thissen in het boek Beelden: stadsverfraaiing in Rotterdam sinds 1940, dat het beeld „niet zou misstaan in een klein Frans provincieplaatsje na de oorlog van 1870”. Een blamage voor de stad vond hij het: „In het Rotterdam van de 20ste eeuw is voor een dergelijk monument geen plaats.”

Dat was er gelukkig wel. Met muziek van de Marinierskapel werd het beeld op 4 mei 1965 onthuld door prins Bernhard, daar op de plek waar in de meidagen van 1940 de brandgrens was gestuit. De Nieuwe Rotterdamsche Courant was erbij en schreef twee dagen later over de plechtigheid: „Burgemeester Thomassen aanvaarde het beeld namens het gemeentebestuur. De taal der beelden spreekt ons aan, zei hij, terwijl de regen in stromen neerdaalde.”

Na de plechtigheid en de onthulling door ‘prins Brenhard’, zoals NRC grappig genoeg misspelde, volgde een stille tocht langs het Monument voor alle Gevallenen op het Stadhuisplein, en het Mariniersmonument op het Oostplein. „Men zou”, oppert de meedenkende redactie op pagina vier, „het ene jaar op het Oostplein en het andere op het Kruisplein kunnen beginnen.”

Nog altijd legt de burgemeester hier elk jaar een krans.

Zelf in het verzet

De vraag blijft: waar kijkt het beeld naar? Waarschijnlijk wacht hij op het einde: de man van Van Lith zou een gevangene in een concentratiekamp zijn, die op het punt staat gefusilleerd te worden, schrijft het Oorlogsmuseum in Overloon dat een kopie van het beeld in de tuin heeft staan, op haar website. Van Lith had in elk geval voeling met zijn onderwerp, want de beeldhouwer zat zelf bij het verzet. Hij verstopte onderduikers en maakte met het lood dat hij als kunstenaar in huis mocht hebben valse bankbiljetten en persoonsbewijzen, en hij hielp met het drukken van de verboden communistische krant De Waarheid. In de overgebleven galerij van het afgebrande Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam waar Van Lith woonde, was tussen twee verdiepingen een kruipruimte waar zijn onderduikers zich konden verstoppen bij onraad. Eén keer ging het mis. Hubert van Lith werd zelf opgehaald door de Duitsers, die op zijn onderduikers stuitten. Ze werden bovenaan een steile trap gezet en naar beneden geschopt, maar niet meegenomen. „We krijgen ze toch wel”, zeiden ze.

Van Lith stierf in 1977 en werd begraven op de begraafplaats van Driemond, in Amsterdam Zuidoost. Zijn graf is inmiddels alweer geruimd, maar op die plek staat nog wel een kleine voorstudie van Ongebroken Verzet, waar sinds 2015 op 4 mei een dodenherdenking wordt gehouden. Slechts 1,40 meter is deze versie, maar minstens zo onverzettelijk.

    • Peter van der Ploeg