Recensie

Misschien is Dijsselbloems geschiedenis nog te vers

Non-fictie recensie Oud-minister Jeroen Dijsselbloem beschrijft minutieus zijn belevenissen als Eurogroep-voorzitter. Dat is zeer leesbaar, maar hij vertelt niks nieuws. En over zijn Haagse belevenissen zwijgt hij.

Foto Bloomberg

In Nederland is het genre van de politieke memoires dun gezaaid. Recent werd de Haagse bibliotheek dan wel uitgebreid met de kloeke werken van twee hoofdrolspelers uit de jaren tachtig – oud-premier Lubbers (CDA) en voormalig VVD-minister Korthals Altes – in vergelijking met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk is de boekenplank met autobiografieën van het Binnenhof jammerlijk leeg. Liefhebbers van het politieke spel verheugden zich dan ook al sinds november toen de nog maar net vertrokken minister van Financiën, Jeroen Dijsselbloem, aankondigde dat hij een boek zou gaan schrijven.

Dat boek, waarvan hij in december nog openlijk zei te betwijfelen of iemand het wel zou willen publiceren, ligt er nu. De belangstellende uitgever heeft er best vertrouwen in want bestelde voor de eerste druk vierduizend exemplaren. De titel, De Eurocrisis. Het verhaal van binnenuit, verklapt al dat het geen alomvattende biografie is van het leven van Jeroen Dijsselbloem – laat staan van het politieke leven van Jeroen Dijsselbloem dat in maart 2000 begon. En dat is jammer.

De zeventien jaar dat de PvdA-politicus actief was, waren immers spannend genoeg: van de opkomst van het populisme in de jaren nul tot de neergang van de Partij van de Arbeid vorig jaar. Als getalenteerd en ambitieus politicus – hij was een van de drie ‘rode ingenieurs’ – kwam de landbouweconoom uit Wageningen in de loop der jaren steeds dichter bij het vuur. Eerst in de leiding van de Tweede Kamerfractie, vervolgens als secondant van partijleider Diederik Samsom bij de formatie van het kabinet Rutte-II en uiteindelijk als invloedrijk bewindsman in dat kabinet van tegenpolen.

De combinatie tussen de liberale VVD met de sociaal-democratische PvdA zorgde voor de nodige interne spanningen, maar wist met een grote dosis pragmatisme en conjuncturele meewind Nederland uit de economische crisis te loodsen en de volledige regeerperiode af te maken. Met een hoofdrol voor Jeroen Dijsselbloem, die als strenge minister van Financiën het begrotingstekort wist om te buigen in een overschot. Over al deze binnenlandse politieke verwikkelingen schrijft hij geen woord – nou ja, een paar zakelijke zinnen.

Dijsselbloem heeft er nadrukkelijk voor gekozen om alleen verslag te doen van zijn belevenissen als voorzitter van de Eurogroep in de jaren 2013-2017. Dat was een internationale topfunctie die Dijsselbloem er onverwacht bij ging doen, naast zijn ministerschap. Een internationale hondenbaan ook, want het was aan voorzitter Dijsselbloem om de crisis, waaraan zoals hij het zelf schrijft „de muntunie bijna ten onder ging” te helpen oplossen.

Minutieus

Zeer minutieus behandelt hij de grote en spannende momenten in zijn tijd als voorzitter van de groep van eurolanden: de redding van Cyprus in maart 2013, de moeizame totstandkoming van de Bankenunie (2013-2014) en het derde leningenprogramma voor Griekenland (2015). In begrijpelijke taal en heldere schrijfstijl analyseert Dijsselbloem deze complexe (financiële) vraagstukken. Hij weet daarbij jargon en afkortingen knap te omzeilen of goed uit te leggen. Hij beschrijft de vele (marathon)vergaderingen en de bilaterale besprekingen die ervoor nodig waren om tot eenduidige maatregelen te komen – de Eurogroep van 19 lidstaten streeft ernaar alleen unaniem besluiten te nemen; en tijdens de Griekse crisis lukte dat bijna niet.

Lees ook dit interview met Jeroen Dijsselbloem, over zijn tijd als voorzitter van de Eurogroep: ‘Ik had de mooiste baan ter wereld’

Voor de geïnteresseerde leek, de student macro-economie of Europese studies is dit leerzame kost. En hoe ingewikkeld de materie ook, het leest allemaal best lekker weg. Beslist nuttig zijn Dijsselbloems beschouwingen in de slothoofdstukken welke lessen uit het gevoerde en vaak geïmproviseerde crisisbeleid te trekken zijn en wat er nog zou moeten gebeuren om de Europese muntunie „economisch en politiek schokbestendig” te maken.

Bezwaar is dat de meeste lezers die dit boek zouden willen aanschaffen, de eurocrisis en dus de jaren-Dijsselbloem al nauwgezet hebben gevolgd. Voor hen bevat het boek geen nieuws. Zoals de auteur zelf al in de inleiding eerlijk schrijft dat de lezer „bij wie Deauville en Cannes nog vers in het geheugen liggen” de hoofdstukken 2 en 3 over het ontstaan van de Europese bankencrisis en schuldencrisis in de jaren vóór 2013 gevoeglijk kan overslaan, zo geldt dat eigenlijk ook voor de rest van het verhaal.

De eurocrisismomenten in Brussel, Athene of Den Haag zijn de afgelopen jaren van nabij gevolgd door de financiële pers. Er verschenen tal van reportages en reconstructies, Dijsselbloem gaf er geregeld zelf interviews en lezingen over. In deze bijna driehonderd pagina’s voegt hij daar weinig aan toe.

Aardige anekdotes – Dijsselbloem die zich als nieuwste lid van de Eurogroep tijdens de schorsing van zijn eerste vergadering assertief weet binnen te dringen in een kamertje waar hoofdrolspelers als Mario Draghi (ECB), Pierre Moscovici en Wolfgang Schäuble (de ministers van Financiën van Frankrijk en Duitsland) geheim crisisoverleg voeren – zijn al eens verteld. De faux pas (meervoud) van Dijsselbloem zelf – zijn grapje over Jean-Claude Juncker als „verstokte roker en drinker”, zijn ongelukkige opmerking dat geld uitgeven aan „Schnapps und Frauen” zich lastig laat verenigen met de hand bij anderen ophouden – zijn uit en te na beschreven.

Vilein

Over zijn (vermeende) onmin of ruzies met Europese tegenspelers is Dijsselbloem voorzichtig. Zo blijft hij erbij dat zijn ruzie met Yanis Varoufakis „nooit persoonlijk” was, terwijl de lichaamstaal bij vele persconferenties in het voorjaar van 2015 toch getuigde van weinig wederzijds respect. En in het boek dat de onstuimige Griek vorig jaar schreef klonk zeker wel rancune door. Met een vilein zinnetje weet Dijsselbloem toch iets van een afrekening op te maken. „De Griekse ministers van Financiën zijn, in tegenstelling tot de Nederlandse, zelden populair.”

Varoufakis pakte in zijn boek Dijsselbloem wel hard aan: "Jeroen stuurde de vergadering vakkundig naar weer een impasse"

Op de schaarse momenten dat Dijsselbloem binnenlandse spanningen over de buitenlandse toestanden beschrijft, houdt hij zich vooral in. Dat het kabinet in de zomer van 2015 bijna struikelde wegens het derde steunpakket aan Griekenland – wat immers haaks stond op premier Rutte’s verkiezingsbelofte – doet Dijsselbloem af in twee alinea’s. En dan nog met het meel in de mond: „naar verluidt”, vertelt hij, wilde een „flinke meerderheid van de VVD-fractie” tegen een nieuwe Griekse lening stemmen. Je zou denken dat de minister van Financiën daar destijds bovenop zat en nog precies weet hoe die politieke crisis verliep. Zo lang geleden is dat niet.

Misschien is dát juist het probleem van dit boek: de geschiedenis is nog te vers, en Dijsselbloem is te kort van het toneel. Een eerlijker en openhartiger reflectie heeft voor ex-politici kennelijk meer tijd nodig. Dijsselbloem begint deze maand met een column in Het Financieele Dagblad.

    • Philip de Witt Wijnen