De werkelijke prijs van een lijntje coke

NRC-serie

In het Colombiaanse dorp Argelia is de cocaïne-productie na de burgeroorlog geëxplodeerd, mede door de grote vraag in de VS en Europa. Bendes claimen het gebied en doden dwarsliggers. Een tocht langs boeren, plukkers en een cocalab.

Behoedzaam rijdt Mosco Jesús Bolaños in alle vroegte over een modderig bergpad. Aan weerszijden tussen de mistige heuvels staan velden vol lichtgroene bloeiende cocaplanten. In de verte buigen groepjes raspachines, cocaplukkers, zich over de bladeren. „Dit is de bakermat van de cocaïnehandel. Wat in deze vallei groeit is een fortuin waard. De hele wereld profiteert mee van onze oogst, ook Nederland”, zegt Bolaños.

Hij is een opgewekte gemeenschapsleider uit Argelia, een klein plaatsje in de deelstaat Cauca, een van de grote cocagebieden in Colombia. De cocaplant gedijt goed in dit hooggelegen berglandschap. In de vallei wordt de coca in talloze laboratoria tot pasta en vervolgens cocaïnepoeder verwerkt, waarna het via de kust verder wordt getransporteerd naar de Verenigde Staten en Europa.

Colombia is de grootste cocaïne-producent ter wereld, gevolgd door Peru en Bolivia. Het Zuid-Amerikaanse land heeft deze positie al sinds de legendarische Pablo Escobar in de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn Medellín-kartel oprichtte. De Amerikaanse drugsbestrijdingsdienst DEA schatte dat er in 2016 voor ruim 900 ton aan cocaïne werd geproduceerd in Colombia en dat er zo’n 188.000 hectare aan cocaplanten werd verbouwd, voornamelijk in deelstaten als Putumayo en Cauca. Een jaar later verbouwden de cocaboeren alweer meer, volgens een schatting van het Amerikaanse bureau voor nationale drugscontrole: tussen de 220.000 en 230.000 hectare aan cocaplanten.

De grootste markt voor Colombiaanse cocaïne ligt in de Verenigde Staten en Europa. Nederlanders horen binnen de Europese drugsmarkt tot de topgebruikers. Uit rioolwateronderzoek in 2014 en 2015 bleek dat er alleen al in Amsterdam naar schatting rond de 30.000 lijntjes coke per dag worden gesnoven. „Stop met snuiven!”, zei minister van Justitie Grapperhaus recentelijk op een internationale drugsconferentie, in reactie op de groeiende cocaïnehandel en daarbij horende criminaliteit. Jaarlijks bereikt ruim 60.000 kilo cocaïne ons land.

„Het zou goed kunnen dat een Nederlander cocaïne snuift waarvan de oorsprong, de bladeren uit deze bergen komen”, zegt Bolaños. In een vorig leven zat hij zelf in de cocahandel: als tiener begon hij onderaan de ladder als cocaplukker, werkte zich op tot laboratorium-medewerker en uiteindelijk tot een succesvolle cocaboer. Maar tegenwoordig houdt Bolaños zich meer bezig met de lokale politiek en de dorpsgemeenschap.

Pottenkijkers komen er vrijwel niet in dit afgelegen gebied. De eerste echte grote stad, Popayan, de hoofdstad van Cauca, is zeven uur rijden. Het mag hier dan adembenemend mooi en rustig zijn, onderhuids leeft angst en onrust. De bloedige burgeroorlog die Colombia ruim vijftig jaar in de greep hield, heeft ook hier diepe wonden achtergelaten. Het mag dan sinds 2016 officieel vrede zijn in het land, verschillende nieuwe gewelddadige drugs- en guerrillagroeperingen proberen coca-rijke gebieden als Cauca in handen te krijgen. In korte tijd zijn hier al meer dan tachtig sociale leiders en mensenrechtenactivisten vermoord. „We leven op een tijdbom”, zegt Bolaños.

De plukker

Een paar honderd meter boven het bergpad waar Bolaños behendig een bocht neemt en mannen op paarden passeert, is cocaplukker Carlos Díaz (29) al sinds de vroege ochtend aan het plukken. Tjak, tjak tjak. Met zijn lenige vingertoppen trekt hij razendsnel de blaadjes van de planten en vult zijn tas. Toen de voor dit gebied zo typische, mysterieuze ochtendmist nog over de heuvels hing, stapte hij al zijn huisje uit en trok met zijn tienjarige zoon de bergen in.

Een cocaplukker. Foto Alex Kemman

„Voel mijn handen”, zegt Díaz. Hij legt mijn hand op zijn handpalmen. Ze voelen ruw en bultig aan en zitten vol eelt en bloederige korstjes. Rondom zijn vingertoppen hangen gescheurde velletjes. „Dit krijg je van jarenlang cocaplukken. Maar ik klaag niet, ik kan hier vier kindermonden mee vullen.” Hij aait zijn zoon over z’n bol.

Als kind werd Díaz zelf ook meegenomen door zijn vader. Toch heeft hij na al die jaren nog steeds niet bereikt waar hij van droomt: zelf cocaboer worden. „Ik bezit geen grond en geen eigen huis. Maar als ik een dag lang cocabladeren pluk verdien ik rond de 40.000 Colombiaanse peso (tien euro). Dat is meer dan een gemiddeld dagloon en het verdient beter dan koffie en cassave plukken”, zegt hij.

Sinds het vredesakkoord in 2016 tussen de Colombiaanse regering en de guerrillabeweging FARC, die hier in Argelia meer dan dertig jaar de scepter zwaaide, is er veel veranderd. De productie van coca is enorm toegenomen, met bijna 20 procent volgens het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Dat komt mede doordat de oorlog voorbij is en de FARC van het toneel is verdwenen. De boeren zijn meer gaan planten en nieuwe spelers begeven zich op de drugsmarkt.

In 2015 stopte bovendien het besproeiingsprogramma van het leger, waarmee jarenlang cocaplanten werden vernietigd. In het vredesakkoord werd vastgelegd dat de boeren via substitutieprogramma’s en speciale subsidies over zouden moeten stappen op het verbouwen van andere gewassen, zoals koffie en cassave. „Maar ik kan niet overleven zonder de cocateelt”, zucht Díaz. „Het is het enige gewas dat genoeg oplevert voor ons om van te leven.”

1.410

ton cocaïne werd in 2016 geproduceerd, schatte de VN-organisatie voor Drugs en Criminaliteit (UNDOC) afgelopen juni.

Op het bergpad trapt Bolaños plotseling met een ruk op de rem. Er lopen vijftig stevig bepakte jonge mannen in een rij achter elkaar. Het zijn militairen van het Colombiaanse leger. Met hun wapens en loodzware rugzakken sjokken ze over het glibberige pad. „Dit is een heel slecht voorteken, het leger is ons gebied binnengedrongen”, fluistert Bolaños zenuwachtig. „Het leger is onze grootste vijand. Misschien gaan ze vandaag een anti-coca operatie opzetten. Ik moet de bewoners waarschuwen.”

Straks komen de eerste cocaplukkers naar het dorpje Puerto Rico. Daar worden midden op het marktplein onder een enorme boom de cocabladeren gewogen en opgekocht. „Misschien nemen de soldaten onze oogst in beslag of trekken ze de cocaplanten uit de grond. De bewoners zullen er alles aan doen hun planten te beschermen, zelfs de weg blokkeren zodat de militairen niet verder kunnen. Het kan uit de hand lopen”, zucht Bolaños.

Een van de coca-boerderijen in de vallei bij het Colombiaanse dorp Argelia. Foto Alex Kemman

De cocaïnehandel drukt al decennialang een zwaar stempel op Colombia: duizenden doden door geweld, grootschalige corruptie en criminaliteit, milieuverontreiniging door lozing van chemicaliën voor de productie van cocaïne. Ondanks de miljoenen die de Colombiaanse regering met steun van Amerika geïnvesteerd heeft in de ‘War on Drugs’, blijft cocaïne de allesbepalende factor.

Tot voor kort leefden de bewoners hier onder het gezag van de FARC, de marxistische guerrillabeweging met wie de Colombiaanse regering meer dan vijftig jaar oorlog voerde. Die kostte meer dan 200.000 Colombianen het leven, miljoenen mensen raakten ontheemd. De FARC financierde haar strijd met het ontvoeren van burgers, maar veel meer nog met de internationale handel in cocaïne, wat de motor werd van de burgeroorlog. Het was de FARC die de boeren dwong tot het verbouwen van coca, en die vervolgens cocaïne-laboratoria opzette tussen de heuvels.

18,2

miljoen mensen wereldwijd gebruikten minstens één keer cocaïne in het afgelopen jaar (cijfers over 2016), aldus het UNODC.

De FARC eiste belasting van de bewoners, maar vervulde ook overheidstaken in het stelselmatig verwaarloosde gebied. De beweging bouwde scholen en wegen en gaf de bewoners bescherming en een afzetmarkt voor de coca. Toen de FARC in 2016 vrede sloot met de Colombiaanse regering trokken de guerrillastrijders zich, zoals afgesproken in het akkoord, terug uit de door hen gedomineerde gebieden en stapten uit de drugshandel. Tijdens hun afscheid, vastgelegd op een video te zien op YouTube, zwaaien de bewoners van Argelia hen feestelijk uit met ballonen en muziek. De ex-strijders worden innig omhelsd.

Sinds hun vertrek is er een machtsvacuüm. De cocaïne-productie is geëxplodeerd en de vraag vanuit Europa en de VS blijft maar stijgen.

De drugsbestrijder

Colombia kent een tweede guerrillabeweging, het Nationaal Bevrijdingsleger (ELN), waarmee nog geen vrede is gesloten. Deze heeft het cocagebied inmiddels opgeëist. Ze verspreidt pamfletten onder de bevolking en laat initialen achter op muren en bruggen.

Maar ook andere groeperingen, zoals de zwaarbewapende paramilitairen verenigd in El Clan del Golfo, azen op het gebied, evenals een groep ex-FARC leden die zich tegen het vredesakkoord hebben gekeerd en een nieuwe gewapende eenheid hebben opgezet. Recentelijk hebben bewoners ook leden van het Sinaloa-kartel uit Mexico gesignaleerd – hun aanwezigheid in Colombia is eerder bevestigd door Colombiaanse en Amerikaanse drugsbestrijdingsdiensten. Al deze groepen springen in het gat dat de FARC heeft achtergelaten en proberen de cocateelt in handen te krijgen.

Flover Sapuyes was op weg naar huis toen een onbekende man op een witte motor langsreed en het vuur opende. Met zijn laatste krachten probeerde Sapuyes nog door te lopen, maar hij werd opnieuw beschoten en zakte in elkaar.

„Flover is vermoord omdat hij opkwam voor de strijd tegen cocaïne en daarbij geen enkele bescherming kreeg van de overheid”, zegt Diego Rodríguez (28). Hij kijkt onrustig om zich heen en dempt zijn stem. Net als Diego was Flover werkzaam bij de COCCAM, de nationale organisatie van cocaboeren die in opdracht van de overheid actief het substitutieprogramma onder de aandacht brengt in de regio. Volgens de ambitieuze plannen van de voormalige Colombiaanse president Manuel Santos had dit voorjaar al minstens 30.000 hectare aan cocaplanten verdwenen moeten zijn, maar dat is niet gehaald.

Het substitutieplan wekt de woede van de drugsbendes, die juist belang hebben bij een groeiende cocateelt. Sinds het vredesakkoord zijn honderden sociale leiders, boeren en tegenstanders van de cocateelt vermoord. „We vermoeden dat de ‘urabeños’, een van de gewapende paramilitaire groeperingen, achter de moord zitten”, zegt Rodríguez. „Zij willen niet dat wij overstappen op het verbouwen van andere gewassen. De vraag naar cocaïne is enorm en deze criminele organisaties willen dat wij dat blijven produceren. Het substitutieprogramma is een grote bedreiging voor hen.”

Diego Rodríguez was dertien toen hij begon als cocaplukker. Zijn ouders hadden geen geld om hem naar school te sturen. Sinds de moord op zijn collega voelt hij zich onveiliger dan ooit. „Ondanks alle dreigementen sta ik nog steeds achter de strijd tegen de cocateelt en ik blijf me daar sterk voor maken. Maar wij moeten bescherming krijgen van de overheid. Ook de grote handelaren, de echte narco’s, moeten aangepakt worden. Zij verschepen de coke naar het buitenland, verdienen het grote geld en hebben contacten en invloed in de machtige economische en politieke wereld”, zegt Rodríguez.

Over een paar dagen reist hij opnieuw de dorpen af om – zonder bescherming – voorlichting te geven aan de boeren. Inmiddels hebben dertien gemeenten in het gebied het anti-cocateeltconvenant ondertekend; ze willen overstappen op andere gewassen. „Realiseren de cocaïnegebruikers in het buitenland zich eigenlijk hoeveel bloed en ellende hun verslaving ons hier kost?”, vraagt Rodríguez zich af. „En zouden ze zich daar verantwoordelijk voor voelen?”

„Ook de grote handelaren, de echte narco’s, moeten aangepakt worden”
Diego Rodríguez drugsbestrijder

Het nieuws over de gesignaleerde militairen gaat als een lopend vuurtje de heuvels over. In het dorpje Puerto Rico komt geen enkele cocaplukker opdagen om de bladeren te wegen. Don Nelson Daza, een grote Colombiaan die de weegschaal beheert en de cocabladeren opkoopt, haalt de haak maar weer van de boom. „Coca is niet meer wat het was, vroeger wisten we hoe we het echt moesten gebruiken”, zegt hij. Van zijn oma leerde hij de medicinale kracht van de cocabladeren. Had hij buikpijn, dan maakte ze er thee van, had hij koorts dan liet ze hem op de bladeren kauwen. Onder de FARC was het streng verboden om zelf cocaïne te gebruiken. Werd je betrapt, dan kon je worden vermoord. De medicinale kennis ging toen ook verloren, zegt Don Nelson.

Er komt een grote pick-up aanrijden, een man met een witte vilten hoed en een glimmend blauw Nike-shirt stapt uit. Het is Disney Ulises, gemeenteraadslid van Argelia en een van de succesvolle en invloedrijke cocaboeren in de regio. „Ik doe alles voor de bewoners van Argelia, hun belang staat voorop”, zegt Disney, nadat hij zich heeft laten informeren over de ontwikkelingen rondom het leger. „Laten we snel naar wat coke-laboratoria rijden, ze draaien rond dit uur op volle toeren. Als het leger daar binnenvalt gaat een maandenlange productie verloren.” Hij start zijn pick-up en rijdt snel weg.

Cocaboer Disney Ulises, gemeenteraadslid in Argelia.
Foto Alex Kemman
Handelaar Don Nelson Daza, die cocabladeren opkoopt van boeren.
Foto Alex Kemman
Cocaboer Disney Ulises (links) en handelaar Don Nelson Daza.
Foto’s Alex Kemman

Het cocalab

In de vallei liggen talloze geïmproviseerde laboratoria. Een steile, glibberige heuvel leidt naar een krakkemikkige brug. Erachter ligt een open, met golfplaten overdekt cocalab met uitzicht over de oneindige cocavelden.

Hier worden de cocabladeren tot een pasta geperst. „De pasta, ‘base’ noemen we het, is de basis voor de cocaïne”, legt de zwager van Bolaños uit, die het lab runt en liever anoniem blijft. Vier mannen zijn druk in de weer in een ruimte waar een sterke benzinelucht hangt. Er staan enorme olievaten, grote emmers en pakken soda. Een man met smerige nagels en een joggingbroek met de Colombiaanse vlag, roert met een stok in een grote blauwe ton waarin een massa fijngestampte cocabladeren vermengd wordt met benzine en kerosine. Terwijl hij flink blijft roeren, gooit een andere man er meer brandstof bij. Na een tijd wordt het geheel vermengd met soda, waarna de massa onmiddellijk begint te bruisen en een stinkende damp de ruimte vult.

8.800

mensen stierven in 2016 naar schatting door gebruik van cocaïne, aldus onderzoek gepubliceerd in The Lancet. Ook gingen 1,1 miljoen zogeheten ‘gezonde levensjaren’ verloren door gebruik van de drug.

Het heeft bijna iets surrealistisch. Midden in de bergen, in een huis-tuin-keukenlab, produceert een groepje mannen in alle eenvoud de kostbaarste drug ter wereld. Verderop, dieper de vallei in, liggen meer verscholen en zwaarder bewaakt de laboratoria waar de pasta tot cocapoeder wordt gemaakt en tot grote blokken cocaïne geperst. „In drie maanden kunnen we 4,5 kilo coke produceren”, zegt Bolaño’s zwager. Daar hebben de cocaboeren ongeveer zeven kilo cocapasta voor nodig en twee hectare cocaplanten. „Dat de vraag is toegenomen komt ook omdat de kwaliteit van onze bladeren zeer goed is. Onze grond zit vol gezonde mineralen en de planten worden goed verzorgd.”

De mannen besluiten vandaag eerder te stoppen. Met het leger zo dicht in de buurt moet je geen risico’s nemen.

Links een laboratorium waar pasta wordt geperst van cocabladeren. Rechts een post van het leger
Foto’s Alex Kemman

De boer-politicus

Al bijna een half jaar leeft raadslid en cocaboer Disney Ulises met zijn familie van het eten dat hij zelf verbouwt op zijn stukje grond. Een tuin met rondscharrelende kippen vol sla, maïs, bananen en cassave. De zaken gaan goed. Naast zijn huisje liggen de fundamenten voor zijn toekomstige nieuwe huis, dat groter en moderner moet worden. „Zie je dit bosje cocabladeren?” Hij wijst naar een kleine strook cocaplanten. „Daar maak ik thee van voor medicinaal gebruik. Dat cocaveld verderop is voor de handel, dat is mijn spaarpot”, lacht hij.

Disney is een fel tegenstander van het substitutieprogramma en het stopzetten van de cocateelt. „Ik heb ooit geprobeerd over te stappen op cacao, maar daar kun je niet van leven. En hoe betrouwbaar is de overheid? Keren ze zo’n substitutieuitkering echt uit of kunnen de boeren maanden op hun geld wachten?” Om de cocateelt te stoppen moet de overheid volgens hem met betere alternatieven komen. „Laat ze scholen en wegen bouwen, zoals bepaald is in het vredesakkoord. We zijn twee jaar verder maar daar is nog niets van terechtgekomen.”

„In feite kunnen we de hele productie zelf doen”
Disney Ulises cocaboer en gemeenteraadslid

Zijn eigen cocaïneproductie neemt toe. De cocabladeren verkoopt hij aan familieleden met een eigen cokelab in de bergen. „Wij zijn meer verenigd dan vroeger onder de FARC, misschien omdat we de dreiging voelen van al die verschillende gewapende groeperingen. In feite kunnen we de hele productie zelf doen, we hebben de coca, de laboratoria en de drugslijnen. We hebben geen buitenstaanders nodig.”

Volg de cocaïneroute verder naar de Dominicaanse Republiek Lees hier deel 2: Dominicaanse Republiek, het smokkelnest

Straks zal hij als gemeenteraadslid een maandelijkse lunch voor ouderen bijwonen. Een liefdadigheidsproject dat hij bekostigt met zijn coca-opbrengst en waarmee hij goodwill kweekt. „Maar eens zullen we moeten stoppen met de cocateelt. We helpen mee aan de verslaving van miljoenen, veelal jonge mensen. Ik voel me daar toch schuldig over want eerlijk gezegd, ik zou ook niet willen dat mijn kinderen verslaafd zouden zijn aan cocaïne.” Soms droomt Disney van een toeristisch project en wil hij buitenlanders de schoonheid van het gebied laten zien. „Zelfs voor ons bewoners blijft het magisch mooi hier.”

In de namiddag barst er een tropische regenbui los in de heuvels van Argelia. De militairen zijn na die ochtend op het bergpad niet meer gesignaleerd. Bolaños heeft vernomen dat ze er mogelijk zijn voor het beveiligen van de stemlokalen bij de verkiezingen, eerder dit jaar. „Al dertig jaar betekent de aanwezigheid van soldaten slecht nieuws voor ons: geweld en ellende”, zegt Bolaños. „Dat ze hier nu willen zijn om ons te beschermen, klinkt nieuw. Wie weet veranderen de tijden, maar we blijven alert.”

Handelingen voor het vervaardigen van cocaïne:

    • Nina Jurna