Confucius Instituten voelen geen druk van Chinese zijde

Cultureel onderwijs Zijn de Confucius Instituten voor Chinees cultuur- en taalonderwijs mantelorganisaties van de Communistische Partij, zoals in Amerika wordt beweerd? Nee hoor, klinkt het in Nederland.

De gevel van het Confucius Instituut in Groningen.

Xuefei Knoester-Cao (43) noemt het een „enorme verrijking” dat ze naast de Chinese ook de Nederlandse cultuur heeft leren kennen. De Nederlandse van Chinese afkomst is directeur van het Confucius Instituut Groningen en woont sinds haar studietijd in Nederland. Ze speelde een belangrijke rol in de komst van het instituut. „Ik gun het Nederlanders nu ook de Chinese cultuur te leren kennen.”

Nederland telt inmiddels drie Confucius Instituten. Formeel houden de instituten zich bezig met onderricht in de Chinese taal en cultuur en de promotie daarvan. Maar ze zijn in opspraak, met name in de VS. Leden van het Congres, de FBI en organisaties van hoogleraren waarschuwen ertegen en roepen universiteiten op samenwerking te heroverwegen.

De Confucius Instituten zouden mantelorganisaties zijn van de Communistische Partij van China (CPC) met een geheime opdracht: de academische vrijheid en autonomie van onderwijsinstellingen in het buitenland ondermijnen. Ze zouden academici pro-Chinees willen maken.

Over de ophef die in Amerika rond de instituten is ontstaan, laat Knoester-Cao zich liever niet uit: „Ik ken die situatie niet goed genoeg.” Herkent ze iets van de beschuldigingen? Haar instituut bevordert de kennis van de Chinese taal en cultuur, zegt ze. „Tot die taak wil ik me graag beperken.”

Samenwerkingsverband

Het eerste Confucius Instituut werd in 2004 gevestigd in Seoul, Zuid-Korea. Inmiddels zijn er over de hele wereld zo’n vijfhonderd. Ze vallen onder de Hanban, een Chinese organisatie voor internationaal onderwijs in de Chinese taal. De Hanban valt onder het ministerie van Onderwijs.

Het oudste Confucius Instituut in Nederland is gelieerd aan de Universiteit Leiden en bestaat sinds 2007. Vorig jaar werd in Maastricht het waarschijnlijk laatste instituut geopend. Groningen heeft het grootste en meest actieve Confucius Instituut. Naast Chinees taalonderwijs aan middelbare scholieren biedt het voorlichting aan bedrijven die in China zaken willen doen. In Amsterdam zit een dependance.

Deze instituten zijn altijd een samenwerkingsverband tussen een Chinese en een Nederlandse universiteit of hogeschool. Elk instituut heeft een directeur namens de Nederlandse én een namens de Chinese partneruniversiteit. Nederland zorgt voor huisvesting. Geld voor activiteiten – van taalles op scholen en universiteiten tot Chinese bijdragen aan dans- en filmfestivals – komt uit China, van de Hanban.

De invloed van de Communistische Partij van China op de Hanban is groot: alle bestuurders van de organisatie zijn hoge kaderleden van de partij. En er zijn banden met Verenigd Front, het partijorgaan dat buiten China de ideologie van de CPC uitvent.

Christopher Wray, directeur van de Amerikaanse inlichtingendienst FBI, waarschuwde begin dit jaar voor Chinese spionage op Amerikaanse universiteiten. Hij zei dat de FBI „nauwlettend in de gaten houdt” wat de Confucius Instituten doen, maar kwam niet met specifiek bewijs over spionage door de instituten.

De National Association of Scholars, een rechtse groep van activistische academici, riep vorig jaar op alle banden met de Confucius Instituten te verbreken. Universiteiten zouden voor financiering te veel concessies doen aan de Chinese partner. Dat zou soms hebben geleid tot (zelf)censuur bij onderwerpen als Tibet, Taiwan en mensenrechten, en tot aanpassing van het eigen curriculum.

Ook Leiden ontving het Confucius Instituut aanvankelijk niet met open armen. „Wij werden pas bij het proces betrokken toen er al een principe-afspraak lag van de Chinese ambassade en de rector van de Leidse universiteit”, zegt Rint Sybesma, hoogleraar Chinese taalkunde en oud-directeur van het instituut.

Hij kent de ophef rond de Confucius Instituten in de VS. Het zijn er veel, zegt hij, en ze nogal divers; sommige draaien goed, andere zijn alweer gesloten. „Áls er commotie is”, zegt Sybesma „gaat het vaak over de vraag of de Chinese regering zich via de Confucius Instituten bemoeit met het beleid van de gelieerde universiteiten en colleges, of op een andere manier invloed uitoefent.”

Is dat ook zo? „Daar kan best wat van waar zijn, dat weet ik niet. Maar hier in Leiden heeft het Confucius Instituut nooit geprobeerd invloed uit te oefenen op wat er in de universiteit gebeurt.”

Lees ook: RUG wijst Groningse campus in China af

Alles is politiek

Sybesma formuleert zijn meest principiële bezwaar: „Alles in China is politiek, ook zo’n Confucius Instituut. Je bent hoe dan ook bezig met het uitvoeren van de agenda van de CPC. Daarvoor wil je je niet lenen.”

Directeur van het Leidse instituut werd Sybesma ruim zes jaar geleden niet geheel vrijwillig. Inmiddels is hij opgevolgd door Maghiel van Crevel, hoogleraar Chinese taal en literatuur. „Met de partner in China was afgesproken dat de Nederlandse directeur een hoogleraar Chinastudies moest zijn. Ik was net benoemd, en er was niemand anders beschikbaar. Ik dacht: ik houd er na drie jaar weer mee op.” Maar zo gemakkelijk kwam hij niet van de baan af. Collega’s stonden niet te trappelen om het stokje over te nemen.

Voordat Sybesma er directeur van werd, was het Confucius Instituut ondergebracht bij Campus Den Haag, dependance van de Universiteit Leiden. Dat liep niet goed. „De Chinese ambassade stelde ons voor een keuze. Ze zeiden: óf het instituut komt in Leiden óf we sluiten de deuren”, vertelt Sybesma.

„We hebben toen de vóórs – geld voor projecten en beurzen voor studenten – en de tegens – hoeveel kwaad bloed zet je als je ermee ophoudt? – tegen elkaar afgewogen. Uiteindelijk hebben we besloten aan een doorstart mee te werken.”

Belangrijk is, zegt Sybesma, dat je als universiteit niet van zo’n instituut afhankelijk bent. Taalkennis en docenten Chinees zijn al ruimschoots aanwezig in Leiden, net als een uitgebreid netwerk van contacten in China. Extra geld uit China is misschien aardig voor wat leuke extra activiteiten, maar niet essentieel.

Dat ligt anders in Groningen. Daar is het vakgebied Chinastudies nauwelijks ontwikkeld. Groningen krijgt zijn eerste hoogleraarschap Chinees nu deels betaald door het Confucius Instituut. Ook het taalonderwijs aan middelbare scholieren en studenten wordt, anders dan in Leiden, verzorgd door taaldocenten van het instituut.

Het Confucius Instituut in Groningen beperkt zich tot cultuur- en taalonderwijs. Foto Sake Elzinga

Chinakennis

In Leiden zit beduidend meer Chinakennis dan bij de RUG. Sybesma: „Als je niet sinologisch geschoold bent, ben je wellicht minder verdacht op wat er achter zo’n instituut kan zitten.” Tegelijk relativeert hij: „Misschien zoeken wij er wel te veel achter.”

In de Washington Post vergeleek John Pomfret, sinoloog en voormalig correspondent in China, onlangs de Amerikaanse hetze tegen de Confucius Instituten met de communistenjacht onder de Amerikaanse senator Joseph McCarthy in de jaren vijftig van de vorige eeuw. De Groningse Instituut-directeur Xuefei Knoester-Cao ziet ook dat media zich meer tegen China keren. Ze voelt de argwaan. „Omdat ik er uitzie als een Chinees, denken mensen soms dat ik in de meningsvorming voor China kies – ten onrechte.” Liever houdt ze zich buiten discussies met een politiek karakter, zegt ze.

Is de Amerikaanse weerstand tegen de Confucius Instituten dan een verkapte vorm van racisme en anti-Chinees sentiment? Zijn de Instituten misschien inderdaad gewoon onschuldig?

De overeenkomsten met de Confucius Instituten zijn op verzoek van China altijd geheim. Dat draagt zeker bij aan het wantrouwen. Wat staat er dan allemaal in, dat die zo nodig geheim moeten blijven? Sybesma vermoedt dat de geheimhouding er vooral is om te zorgen dat partijen bij de andere contracten niet precies te weten komen welke afspraken zijn gemaakt, niet omdat er heel erge dingen in staan.

Bij Leiden bevatte de concept-overeenkomst wel formuleringen die op verzet stuitten. Zo mocht geen enkele activiteit van het Confucius Instituut plaatsvinden zonder toestemming van de Chinese ambassade. „Daarvan hebben we gezegd: daar doen we gewoon niet aan mee.” Dat was geen probleem. „Dat zijn van die dingen die ze proberen. Als je daar niet in meegaat, halen ze het er ook gewoon weer uit.”

Lees ook: Gaan alle Groningse talenten straks in Yantai aan de slag?

Chinese normen

Sybesma geeft een interessant inkijkje in hoe de samenwerking tussen universiteit en instituut in de praktijk verloopt. Hij vertelt dat er over veel dingen goed te praten valt. „Ze wilden graag bij ons in hetzelfde gebouw zitten, met op de deur zowel een bordje van het sinologisch instituut als van het Confucius Instituut. Maar dat wilden wij niet. Dan maken ze daar geen enkel probleem van.”

Leiden voegde ook iets aan de overeenkomst toe. „Er staat standaard in de overeenkomst dat de normen en waarden van China gerespecteerd moeten worden. Wij hebben daaraan toegevoegd: ‘En de normen en waarden van de Universiteit Leiden’. Dat is geaccepteerd.”

Sybesma heeft altijd prettig samengewerkt met de Chinese directeur, maar hij benijdde haar niet. „Er kwamen regelmatig directieven uit Beijing van dingen waar dan vaak op korte termijn uitvoering aan moest worden gegeven. Daarvan zei ik dan: ‘Dat gaan we niet doen.’ Dat moest zij dan weer zien te verkopen.”

Taiwan en Tibet

Groningen heeft volgens directeur Knoester-Cao geen enkel probleem ervaren in de onderhandelingen met China. „In de vijf jaar dat we nu operationeel zijn, hebben we ook nog nooit meegemaakt dat vanuit China een beroep werd gedaan op de overeenkomst om ons te weerhouden van een activiteit of ons een activiteit op te leggen.”

De Groningse hoogleraar die deels met Chinees geld werd aangesteld, heet Oliver Moore: een Britse sinoloog en historicus die zich vooral bezighoudt met de periode voordat de Communistische Partij in China aan de macht kwam. Voor zijn onderzoek is hij wel afhankelijk van de mogelijkheid om China te bezoeken. Hij gelooft dat het hoe dan ook beter is om wel in contact met China te zijn en te blijven dan om die contacten af te wijzen.

Moore vertelt in een Gronings café dat hij zich niet zal bezighouden met controversiële thema’s als de Chinese aanwezigheid in Xinjiang, met Tibet of met Taiwan. Niet omdat hem dat verboden is, maar omdat dat niet de onderwerpen zijn waarvoor hij zich specifiek interesseert. „Mijn belangstelling als wetenschapper ligt daar niet.”

Hij prijst zichzelf gelukkig dat hij zich niet bezighoudt met zaken die meer weerstand zouden kunnen oproepen, zoals sommige van zijn voormalige collega’s in Leiden. Maar hij is ook niet bereid om onderwerpen die hij wel wil bespreken achterwege te laten omdat dat moeilijkheden zou kunnen opleveren. Dan stopt hij ermee. Hoe dat in de praktijk gaat uitpakken, is onbekend. Daarvoor is zijn hoogleraarschap nog te jong.

    • Garrie van Pinxteren