Opinie

Niet uitingsvrijheid, maar ophitsen was Wilders’ doel

Het is goed dat Geert Wilders zijn vrijheid van meningsuiting heeft gebruikt om zijn aangekondigde cartoonwedstrijd af te blazen. Ook al heeft hij het recht om een dergelijke competitie te organiseren, het was een onverstandig idee. De tentoonstelling zou, zo concludeerde Wilders zelf uiteindelijk ook, de levens van onschuldige mensen in gevaar hebben gebracht. Uitingsvrijheid betekent ook vrijheid om iets niet te doen.

De aankondiging van de wedstrijd leidde in Pakistan ogenschijnlijk tot woede. In werkelijkheid was het de kleine, niet in het parlement vertegenwoordigde partij TLP die het vuurtje aanblies door de Pakistaanse bevolking erop te wijzen dat hun geliefde islam belasterd werd. Blasfemie is een gevoelig onderwerp voor veel Pakistanen en er is niet veel voor nodig om hun boosheid op te wekken. Een provocatie van een West-Europese politicus volstaat.

Zoals Wilders radicale moslims nodig heeft om zijn achterban op te zwepen, zo moet de TLP het van radicale islambestrijders hebben. Ironisch genoeg profiteren deze twee groepen in Nederland en Pakistan, die elkaar te vuur en te zwaard willen bestrijden, van elkaars acties. Het is bijna alsof ze het op een akkoordje gooien: als jij mijn bestaansrecht bevestigt, bekrachtig ik het jouwe.

De wedstrijd mag dan niet doorgaan, Wilders heeft zijn doel bereikt. Om de kunst is het hem nooit te doen geweest. Prominente cartoonisten waren al afgehaakt, vooral omdat ze het uitgangspunt – de tekeningen moesten over de profeet gaan – te beperkt vonden. Ook de door Wilders zo geroemde vrijheid van meningsuiting kan moeilijk als doel van de competitie aangemerkt worden. Mocht het hem met deze vrijheid ernst zijn, dan had hij nooit betoogd dat de Koran verboden zou moeten worden.

Het gewin voor Wilders, die aan relevantie lijkt te hebben ingeboet, is politiek van aard: het levert hem aandacht op. Om gehoord te worden moet hij niet alleen zijn electorale concurrent Thierry Baudet overtreffen, maar ook zijn vroegere zelf. Voorheen wilde het nog wel eens volstaan om voor een verbod op ‘kopvodden’ te pleiten om de journaals te halen, tegenwoordig moet hij steeds inventiever zijn. Zijn harde woorden kennen we inmiddels wel. Een actie met concrete gevolgen, zoals demonstraties van zeloten en een uitgestelde handelsmissie naar Pakistan, is wat dat betreft effectiever. En passant doet Wilders voorkomen alsof alle moslims, ook in Nederland, onverdraagzame types zijn die Nederlandse politici een kopje kleiner willen maken.

Dit alles laat onverlet dat de honderden doodsbedreigingen die Wilders ontvangen zegt te hebben, serieus genomen moeten worden. De manier waarop sommige extremisten in Pakistan de gemoederen opruien, is levensgevaarlijk. In Den Haag is er al een man aangehouden die een aanslag aangekondigd had, en er dook een filmpje op waarin een financiële beloning uitgeloofd wordt voor het vermoorden van Wilders. Terecht denkt de PVV-leider met het staken van de cartooncompetitie ook aan zijn eigen veiligheid, en aan die van zijn Haagse collega-politici; het is immers zeer goed mogelijk dat een kwaadwillende geen onderscheid maakt tussen de fractiekamer van de PVV en het hele Nederlandse parlement.

Er is geen goede reden te bedenken waarom een politicus deze cyclus van haat en geweld zou willen ophitsen. Wanneer Wilders wil aantonen hoe gevaarlijk ‘de islam’ is, zijn er altijd wel wat extremisten te vinden die graag die rol willen spelen. Maar veel tekenender is dat het overgrote deel van de moslims zijn schouders ophaalt over het initiatief. Wat de voorgenomen cartoonwedstrijd echt aantoont, is dat de onverdraagzaamheid tot een klein clubje extremisten beperkt blijft – een clubje dat nota bene gretig inspeelt op de provocaties van de PVV-politicus. Op de gevaren van de radicale islam mag en moet gewezen worden, maar met zijn cartoonwedstrijd zou Wilders juist aanwakkeren wat hij zegt te willen bestrijden.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.