Recensie

Bezorg me eerst maar een levende zeemeermin

Het kan zijn dat u een late luiervakantie voor de boeg heeft, of plannen om te niksen rond het haardvuur. In dat geval wens ik u veel regen toe en het heerlijke De meermin en de courtisane, het 574 pagina’s tellende debuut van Imogen Hermes Gowar (1988). Zij is archeoloog en kunsthistoricus, werkte in musea en heeft een voorliefde voor de achttiende eeuw; De meermin en de courtisane speelt zich af in het Engeland van 1785-’86. Opvallend in het verhaal rond de bedeesde ‘mijnheer’ Hancock (koopman, weduwnaar) en de extravagante Angélica Neal (high-class gezelschapsdame) is dan ook het wat archaïsche, ritmische taalgebruik, strategisch ingezet en echt heel mooi vertaald. Sfeer – mysterieus, humoristisch ook – en tijd van de vertelling worden daardoor geen moment doorbroken.

‘Hij betreurt wel hun kind’, schrijft Hermes Gowar over Hancock, ‘dat zo snel van het leven naar de dood moest overgaan en de ene vergetelheid verruilde voor de volgende, als iemand die in zijn slaap van zijn ene zij op de andere is gerold.’ En over Neal: ‘Haar huid vertoont geen enkel smetje, haar vagijn is geurig, en haar neus is nog steeds ongeschonden dankzij de kleine zakjes van schapendarm die ze in haar kabinet bewaart.’

Dat hun wegen kruisen is te danken aan een zeemeermin. Of eigenlijk: aan het monsterlijk ingedroogde karkas van zo’n wezen, een bron van inkomsten van de nuchtere Hancock. Door een handige deal komt het terecht in het chique bordeel van madam Chappell. Ik vraag uit enthousiasme even een moment voor de beschrijving van deze vrouw, die door de hele roman omringd wordt door een ploeg beeldschone, piepjonge, bijzonder sarcastische meisjes: ‘Ze doet nog het meest denken aan een brede fauteuil, eerder gestoffeerd dan gekleed, voorzien van een overdadig gevulde boezem die zich welft onder crèmekleurige tafzijde en goudkleurige borduursels.’ Een dame die ‘blaast en piept als een stel doedelzakken, zelfs nu ze zit’.

De koopman valt als een blok voor Angélica Neal, die weer even in haar oude huis werkt, bij Chappell. Neal, tot over haar oren verliefd op een zak hooi van een vent, scheept Hancock af: pas als hij haar een levende meermin kan bezorgen maakt hij kans. Dat laat hij zich geen twee keer zeggen.

De meermin en de courtisane is meer dan een spannend en plat verhaal. Natuurlijk: je wilt dolgraag weten of het Hancock lukt, en of Neal onder het juk van haar oude madam uitkomt. Maar ondertussen kun je je verliezen in de rijkheid aan historische details – van politiek tot gebruiksvoorwerpen. Ook wordt er een interessante kijk geboden op klasseverschil en man/vrouw-verhoudingen. Niet slechts door te hameren op Hoe Erg En Vreselijk (hoewel de parallel tussen de meermin en de gekleurde vrouw als rariteit er vet bovenop ligt), maar ook, juist, door personages er verrassend genuanceerd over aan het woord te laten.

Dat de roman, die kunstig op het randje van kitsch balanceert, op driekwart alsnog uit de bocht vliegt, resulterend in emo-proza en intermezzo’s die doen denken aan tenenkrommende tiener-poetryslam (‘Begraaf me diep en ik zal naar het oppervlak stijgen. Mijn trillingen zijn als aardbevingen’) moet u vooral voor lief nemen.

    • Roos van Rijswijk