Opinie

    • Ellen Deckwitz

Mis

Vanochtend stond ik op en was het mis, dat wil zeggen: ik voelde me zonder enige reden knetterblij. Het regende, het boek van mijn concurrent was nog steeds niet verramsjt, en toch dartelde er wat. Meteen werd ik achterdochtig. Ik slik al eeuwen antidepressiva die prima dempen en stabiliseren maar ik ben zelden echt helemaal gelukkig, dat wil zeggen: tegelijkertijd opgewekt én onbevangen. Ik heb in de loop der jaren met de sipte leren omgaan maar ben zo zelden honderd procent monter dat ik niet weet hoe ik daarop moet reageren, behalve met grote achterdocht.

Ik belde mijn zus en haar psychologiediploma: of dit nou een manie was. Ze vroeg of ik vandaag mijn hand al in een centrifuge had willen steken, gewoon omdat het me een prima idee leek. Nee, zei ik, waarop ze me feliciteerde dat ik geen manie had en of ze nu please door mocht gaan met het ontwormen van de oppashond.

De dag vloog om. Ik testte mijn goede bui: deed een belastingaangifte, ontstopte de wc, herlas de roman Een klein leven van Hanya Yanagihara, maar werkelijk niets kon mijn humeur verpesten. Misschien zat er wel wat MDMA of morfine in het kraanwater. Tijdens het boodschappen doen glimlachte ik naar een krijsende peuter en begon me steeds grotere zorgen te maken over mijn geestesgesteldheid.

Simon Vestdijk schreef eens over ongerichte angst: dat je bang bent zonder aanleiding. Had ik nu opeens last van ongericht geluk? En was dat niet heel erg gevaarlijk? Straks zou ik lui worden en mijn baan/vrienden/woning/dieren verliezen. Het zou mij vergaan zoals het heroïnejunks vergaat, die zijn meestal ook heel blij en daar loopt het meestal ook heel verkeerd mee af.

Mijn zus belde die avond, of ik me alweer wat slechter voelde. „Helaas niet”, zei ik opgewekt. „Zit je hand nog aan je arm?” Ik humde bevestigend.

„Arme jij, je hebt zo ontzettend weinig ervaring met helemaal blij zijn”, zei ze meelevend. „Geen wonder dat je opeens helemaal geen idee hebt wat je met jezelf aan moet. Knap dat je überhaupt de dag bent doorgekomen.”

„Ik deed maar wat”, zei ik, radeloos, „en alles gaat geweldig, ik word er wanhopig van.”

Ik hing – dolgelukkig – op. Ik dacht aan de deadlines die ik deze week had en toen schoof er een kleine sluierbewolking tussen mijn oren. Een stress-stroomstoot schoot door mijn borst. Het was vervelend, maar ook vertrouwd. Ah, dacht ik, daar is de sipte eindelijk weer. Laat ik maar even gaan sporten, wat endorfinen zijn nooit weg.

Terwijl ik de deur uitliep koesterde ik de somberte die zich onder mijn schedeltje nestelde. Ik ben echt veel te oud, dacht ik opgelucht, om nog te leren omgaan met geluk.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz