Een wijze les uit 1973: pas op met massale arbeidsmigratie

Ger Ebbeling, oud-migratieambtenaar Het bedrijfsleven moedigt arbeidsmigratie aan, zonder oog te hebben voor de negatieve gevolgen ervan.

Spaanse gastarbeiders op Centraal Station Amsterdam in 1965 Foto André van der Heuvel/ANP

Wees heel selectief bij het binnenlaten van werknemers uit het buitenland. En bind de arbeidsmigratie aan strikte regels voor taal en huisvesting. „Neem als overheid zelf de regie stevig in handen, en laat het arbeidsmarktbeleid niet bepalen door de machtige werkgeverslobby in Den Haag.”

Lees ook: Dwang is geen vies woord meer. Twee decennia integratiebeleid

Dat is de boodschap die Ger Ebbeling (91), in de jaren 70 hoge ambtenaar van het toenmalig ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM), huidige politici wil meegeven. Nu de roep sterker wordt om meer arbeidskrachten uit het buitenland te halen om honderdduizenden vacatures in zorg, ICT, techniek en tuinbouw te helpen vullen, overvalt Ebbeling een déjà-vugevoel.

In de jaren 60 en (begin) 70, toen Ebbeling leiding gaf aan de directie Culturele Minderheden van CRM, was de roep om buitenlandse arbeidskrachten minstens zo sterk.

In een intern stuk waarschuwde Ebbeling tegen de massale arbeidsmigratie. De notitie uit oktober 1973, het kabinet-Den Uyl was net aangetreden, verdween in het ambtelijk apparaat. Om onlangs weer boven water te komen uit Ebbelings persoonlijk archief. „Het was het enige stuk dat ik uit mijn hele ambtelijke loopbaan heb bewaard. Kennelijk was het me dierbaar”, zegt Ebbeling in zijn appartement te Leidschendam.

„De lasten van de buitenlanders komen terecht bij dat deel van de bevolking dat het minste deel heeft aan de welvaart”, schreef Ebbeling in 1973. De ambtenaar, afgestudeerd jurist, afkomstig uit het welzijnswerk en „snurkend lid” van de PvdA, schreef dat de komst van de arbeiders de lonen van ongeschoolde, Nederlandse arbeiders drukte. Bovendien vergrootte ze de moeilijkheden in de oude stadswijken waar die ongeschoolde groepen woonden. De Turken en Marokkanen kwamen daar vaak terecht, ondanks beloften van werkgevers om zich in te zetten voor betere huisvesting.

Handjevol landen

Ebbeling moest aan deze conclusie uit 1973 denken toen hij in juni hoorde van een nieuw rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Die schreef dat het aantal herkomstlanden van migranten naar Nederland de laatste decennia is geëxplodeerd. Het gaat niet meer om een handjevol landen zoals in de jaren 60 en 70, maar inmiddels 233.

In buurten en gemeenten waar veel mensen van die verschillende herkomst wonen, voelen inwoners zich onveiliger, aldus de WRR, is de sociale samenhang minder groot en worden meer delicten gepleegd dan in meer homogene wijken.

De rijksoverheid maakte zichzelf in de jaren 80 machteloos. „Minister Elco Brinkman (Welzijn, CDA) hevelde de rijksgelden voor het minderhedenbeleid over naar het Gemeentefonds, in de hoop dat de gemeenten het beleid op maat zouden aanpakken. Maar gemeenten kochten er lantaarnpalen van. Of speeltuintjes. De gemiddelde Turk of Marokkaan zag er weinig van terug.”

Lees ook: Van Turkenpension naar Polenhotel

Terug naar 1973. Ook ontwikkelingslanden leden onder de arbeidsmigratie, die hun meest actieve mensen kwijtraakten. En het spaargeld dat zij terugstuurden naar hun vaderland werd vooral consumptief besteed en niet geïnvesteerd in industriële goederen die economische groei en innovatie stimuleerden.

De les die Ebbeling leerde: het Nederlandse bedrijfsleven is vooral geïnteresseerd in het vervullen van vacatures, lage lonen en winst. Het heeft beduidend minder oog voor de ingrijpende consequenties van migratie voor de samenleving. Ebbeling: „Zeker toen de werkloosheid in 1976 groeide, wilde ook Den Uyl beperkingen aan de arbeidsmigratie.” Bedrijven wisten echter steeds nieuwe uitzonderingen op beperkende maatregelen te regelen. Ebbeling zag een keer van nabij hoe Den Uyl verrast en overvallen werd door een nieuwe uitzondering voor Joegoslaven. „Dat zijn geweldige schoorsteenbouwers, zeiden werkgevers. Tsja.”

In sommige andere landen in Noordwest-Europa had het bedrijfsleven beduidend minder macht. Ebbeling noemt als voorbeeld het sterk sociaal-democratisch gekleurde Zweden. „Daar werd het bedrijfsleven door de overheid verplicht”, zegt Ebbeling, „om op hun kosten buitenlandse werknemers tweehonderd uur onderricht in de Zweedse taal te laten volgen, voordat die werknemers aan de slag mochten in de fabrieken.”

Toch ziet Ebbeling ook veranderingen ten goede. Zo wordt het debat over arbeidsmigratie veel meer publiek gevoerd dan in de jaren 70. Het blijft niet meer beperkt tot een klein clubje ambtenaren en lobbyisten uit het bedrijfsleven.

Verder prijst Ebbeling minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66). De inburgering wordt minder vrijblijvend, de verplichtingen voor taallessen dwingender, zo maakte Koolmees in juni bekend. „Daarnaast zou het goed zijn als er een streng vergunningenstelsel kwam voor bedrijven die werknemers willen binnenhalen”, zegt Ebbeling. „Laat alleen mensen uit het buitenland toe die inhoudelijk echt iets toevoegen in Nederland, en stel strenge eisen wat betreft taal en huisvesting.”

    • Kees Versteegh