Foto Patrice Normand/Opale/Leemage/HH

‘De propaganda van Goebbels beïnvloedt ons nog steeds’

Éric Vuillard

Het Duitse bedrijfsleven maakte Hitler groot. De Franse schrijver Éric Vuillard vertelt dat verhaal in zijn roman De orde van de dag met humor. „BMW nam arbeiders aan in Dachau.”

Parijs, 38 graden, geen zuchtje wind in de kantoren van uitgeverij Actes Sud. Zijn overhemd is doorweekt, maar zijn ogen stralen. Hij geniet ervan over de geschiedenis te spreken, op vragen antwoordt hij in elegante pirouettes. Éric Vuillard (Lyon, 1968) houdt ervan achter historische maskers te kijken en clichés tegen het licht te houden. Heerlijk – in de archieven duiken, grasduinen in de coulissen en in de schijnwerpers zetten wat er zich schuilhoudt.

Vuillards achtste récit, zoals in Frankrijk de literaire non-fictie wordt genoemd, werd bekroond met Frankrijks belangrijkste prijs, de Prix Goncourt. De orde van de dag (L’ordre du jour) schetst in een aantal sleutelscènes, tragisch en hilarisch tegelijk, de aanloop tot de Anschluss, de Duitse annexatie van Oostenrijk in 1938. In het eerste hoofdstuk zoomt Vuillard in op een geheime bijeenkomst op 20 februari 1933, in de Rijkskanselarij in Berlijn, waarbij 24 Duitse groot-industriëlen (Krupp, Opel, Siemens, Agfa, etc.) hun portemonnee trekken om Goering en Hitler met miljoenen te steunen.

De afgelopen jaren zijn er in Frankrijk verschillende boeken over de Tweede Wereldoorlog verschenen, bijna allemaal even succesvol. Waar komt die interesse van de Fransen voor deze periode volgens u vandaan?

„Literatuur is een sociaal fenomeen, ze is schatplichtig aan de sociale en politieke spanningen. Ze weerspiegelt die niet per definitie, ze houdt afstand, maar ze probeert er wel iets over te zeggen. Dat geldt zeker voor literatuur over de geschiedenis. Het heden is vaag, ontoegankelijk, de geschiedenis wordt dan een toevlucht. Het geeft je de mogelijkheid een uitweg te vinden, oorzaken uit te pluizen, een manier om je tot de werkelijkheid te verhouden. Ik kan de vergaderingen over de Brexit van nu niet beschrijven, maar wel die van de Duitse staatshoofden met kopstukken uit de financiële en industriële wereld van toen. Bij dat soort vergaderingen is er altijd iets gevaarlijks, iets geheimzinnigs. De oorlog was tumultueus, tragisch, het is nog warme geschiedenis, het draait om politiek. De geschiedenis van toen biedt, in een tijdperk waarin er nauwelijks ideologieën meer zijn, ideologische verheldering. Dat geldt voor Fransen, maar net zo goed voor Amerikanen of Nederlanders.”

Vanaf de eerste bladzijde hanteert u een vocabulaire dat uit het theater afkomstig is: de voorstelling begint, het gordijn gaat open, we belanden onder meer in een requisietenmagazijn. De geschiedenis is voor u een schouwspel?

„Komediespel is een oud recept om kritiek te uiten op de macht. In onze dagelijkse ervaringen met de politiek herkennen we, in de gebaren, in de woorden, dat element van komedie. In een boek houdt een schrijver enige afstand tot zijn onderwerp, dat kan niet anders. Door die distantie verdwijnt de eerste indruk, ineens wordt de macht weer serieus genomen! Ik probeer die eerste impressie terug te halen.”

„De elite in die tijd was zelfingenomen en minachtend.”

U laat bijvoorbeeld zien dat de Anschluss, waarbij Hitler Oostenrijk binnenrijdt, geen triomftocht was, maar eerder een klucht, waarbij de Duitse tanks, de trots van de natie, in de modder vastliepen en de Führer buiten zinnen raakte van woede.

„Ik interesseer me steeds meer voor wat ik ‘het familiealbum’ noem: de foto’s uit de geschiedenis die we allemaal kennen. Foto’s van Mussolini, Hitler en Chamberlain bij het Verdrag van München bijvoorbeeld, tijdens de appeasement-politiek [waarbij getracht werd de expansiedrift van Hitler te stoppen door op sommige punten toe te geven, red.]. Het overgrote deel van de foto’s uit die periode is gemaakt door de staatspropaganda van Goebbels – een vreemde situatie: we zitten vast aan een ideologie die nu in de afvalbak van de geschiedenis ligt. En toch beïnvloedt die ons nog.”

Éric Vuillard . Foto: HH

Wat kan de literatuur daarbij betekenen?

„Humor, ironie, verhoudt zich op een bepaalde manier tot de werkelijkheid. We moeten die bekende foto’s behandelen zoals Honoré Daumier de notaris afbeeldde [karikaturaal en satirisch, red.]. Je moet ze als het ware opnieuw nuchter bekijken: foto’s van Duitse tanks die heel gedisciplineerd Oostenrijk binnenrijden kun je heel goed onderuit halen in een bijtend portret van de pech die ze hadden, waardoor de hele overwinningstocht de mist in ging. Humor blijft altijd goed in het geheugen hangen. Zo wordt de foto gekreukt, beschadigd. Literatuur kan de mythe onthoofden.”

Vuillard beschrijft een paar cruciale scènes in de aanloop tot de Anschluss. Eén ervan is de afscheidslunch die de Britse premier Chamberlain de vertrekkende Duitse ambassadeur Ribbentrop aanbiedt in Downing Street. Ribbentrop weet die eindeloos te traineren. Zo heeft Chamberlain niet de gelegenheid accuraat te reageren op het bericht dat Hitler Oostenrijk is binnengetrokken. Een andere is de passage waarbij de Britse politicus Lord Halifax, op persoonlijke titel onderweg naar Berchtesgaden, de auto uitstapt en de Führer aanziet voor een knecht.

Wat is het belang van dergelijke gedetailleerde scènes voor u?

„Toen ik de mémoires van Churchill herlas, viel me ineens die passage op over de lunch. Hoe kon Chamberlain zo lang aan tafel blijven zitten, terwijl de Foreign Office hem net een briefje had gebracht waarin stond dat Hitler bezig was Oostenrijk binnen te vallen? Dat wilde ik begrijpen – literatuur kan dat bewerkstelligen – en ik heb de hele scène uitgeschreven, dat was heel opwindend. Juist wat er niet gebeurt is interessant. Dan die andere passage: in zijn memoires schrijft Lord Halifax dat hij uit de auto stapt, het soort schoenen van de persoon die daar staat taxeert – pumps staat er in het Engels – en daaruit concludeert dat het een knecht moet zijn, waarna hij hem zijn jas wil aangeven. Dan blijkt dat het Hitler zelf is. Beide scènes zijn grappig, maar ze laten tegelijkertijd de toen gangbare meningen en posities zien: de eerste illustreert de extreme beleefdheid van Chamberlain ten opzichte van de Duitsers, de tweede de aristocratische laatdunkendheid waarmee de Engelsen Duitsland benaderen. Die combinatie van zelfingenomenheid en minachting was geïncorporeerd in het denken van de elite van die tijd. Het zijn ingrediënten van de appeasement-politiek en gedeeltelijk verantwoordelijk voor de oorlog. Al schrijvend kun je daarnaar tasten, zoeken, daar kun je via de literatuur over spreken.”

Lees ook: Hoe de elite zich liet verleiden door het Derde Rijk

‘Politici en industriëlen gaan wel vaker met elkaar om’, schrijft Vuillard neutraal en bijna nonchalant in het begin van zijn boek. Toch zit hier de kern van zijn zoektocht en neutraal is hij allesbehalve. Hij laat zien hoe profijtelijk de oorlog is geweest voor de grote Duitse industrieën: ‘Bayer pachtte arbeidskrachten in Maut-hausen’, schrijft hij, ‘BMW nam arbeiders aan in Dachau, in Sachsenhausen en Buchenwald. Daimler in Schirmeck. IG Farben wierf in Mittelbau-Dora, in Groß-Rosen, in Sachsenhausen, in Buchenwald, in Ravensbrück, in Dachau, in Mauthausen en beheerde een reusachtige fabriek in het kamp Auschwitz: IG Auschwitz, en die fabriek komt schaamteloos onder die naam voor in het organisatieschema van de firma.’ In bredere zin is Vuillards boek een voorbeeld van ‘follow the money’ en een aanklacht tegen het compromis dat het grootkapitaal sloot met het naziregime. Hij licht ‘de lelijke lompen van de geschiedenis’ op en ziet ‘hiërarchie tegenover gelijkheid’ en ‘vrijheid tegenover de gevestigde orde’.

Vuillard: „Literatuur streeft er altijd naar de lompen van de geschiedenis op te lichten. Toen Emile Zola zijn roman Nana publiceerde zei hij: ‘Het is de geschiedenis van onze door seks geobsedeerde maatschappij.’ Dat is nogal een provocerende uitspraak voor een schrijver die zichzelf in eerste instantie als een nette burger beschouwde. Maar in literatuur gaat het erom de maskers af te rukken. Dat vond Zola ook al. In die tijd gingen de vrouwen na het diner naar het boudoir. Mannen rookten in de salon een sigaar, en vertrokken daarna naar het bordeel. In diezelfde tijd beschuldigde procureur Ernest Picard Gustave Flaubert van immoraliteit vanwege Madame Bovary. Er is dus iets mis, Zola zegt de waarheid. Literatuur wordt altijd geschreven binnen twee coördinaten, vrijheid of orde, gelijkheid of concentratie van rijkdom. In dat veld kiest de literatuur altijd voor vrijheid en gelijkheid.”

In uw boek belicht u ook Arthur Seyss-Inquart, tijdens de oorlog rijkscommissaris in Nederland. Waarom was hij interessant voor u?

„Psychologiseren doe ik nooit. Niet omdat ik het intieme van mensen respecteer, helemaal niet, maar het is gewoon niet van belang. Ik gebruik alleen dialogen, woorden of gebaren die ik in memoires of documenten vind, ik verzin niets. Wat me bij Seyss-Inquart interesseerde was zijn positie, een ambiguë figuur op het moment van de Anschluss, een pion midden in een diplomatiek ballet. Hitler dicteerde hem een telegram waarin hij Duitsland moest uitnodigen Oostenrijk binnen te vallen. Hij weigert het op te sturen, omdat hij voor zichzelf een hogere positie ambieert. Duitsland is bezig Oostenrijk te verpletteren en deze potsierlijke figuur is bezig met iets ridicuuls. Dat groteske in de geschiedenis interesseerde me.”

Waarom kiest u ervoor récits te schrijven en geen romans?

„Mijn récits bevinden zich wel degelijk in de literaire traditie van de roman, het is niet dat ik de roman onbelangrijk vind. Maar als Madame Bovary door justitie wordt beschuldigd, is dat niet vanwege haar aandeel in de fictie, om het maar zo te formuleren: dat proces wordt aangespannen omdat Flaubert de waarheid schrijft over overspel onder de burgerij. Het is altijd het récit in de roman dat wordt aangeklaagd. We leven in een tijd met steeds meer ongelijkheid, we voelen ons onzeker, slecht op ons gemak. In zulke tijden blijft fictie in gebreke. Vroeger kon Louis Aragon via de fictie de burgerij van zijn tijd schetsen, Zola deed dat met de arbeidersklasse. Onze bezorgdheid van nu vraagt om een grotere werkelijkheid. Ik lees liever een essay van een architect of een stedebouwkundige over de problemen in de banlieue dan een roman waarin dat verbeeld wordt: ik zou me steeds afvragen of het nu waar was of niet. Roman en récit zijn beide literatuur. Momenteel wordt er in de roman meer werkelijkheid verlangd. En hoe urgenter de vragen zijn die de fictie stelt, hoe groter de kans dat die ons teleurstelt.”

    • Margot Dijkgraaf