‘Dat heb jij vannacht gedaan met een mes’

Schrijver Arnon Grunberg verblijft veertien dagen in een Vlaams verpleegtehuis en schrijft daar dagelijks over.

Om mijn ervaringen in Zuiderlicht in een context te plaatsen, mag ik een dag meelopen in verpleegtehuis De Vijvers aan de andere kant van Gent. In De Vijvers wonen ongeveer 180 mensen, de gemiddelde leeftijd ligt boven de tachtig.

Verpleegkundige Linda van afdeling Lavendel ontfermt zich over mij. Ze straalt die typisch verpleegkundige combinatie van mededogen en strengheid uit.

Ergotherapeut Karla lost met een paar dames een kruiswoordpuzzel op. Julia heeft wit geföhnd haar en een gezicht dat aan een lief aapje herinnert. „Ik ben 88”, zegt ze, „ik kwam in het ziekenhuis met een longembolie en longontsteking. Toen ik thuiskwam kon ik niets meer. Ik heb acht kinderen, maar kinderen hebben geen respect meer voor ouderen.”

We lopen verder. „Een ingewikkeld verhaal”, zegt Linda, „al haar kinderen zijn uit huis geplaatst.”

Op de gang zitten Mariette en haar man. „Mag ik met je praten?” vraag ik.

„Ja”, zegt ze, „maar aan mijn man moet je niets vragen, want hij weet niets.”

We gaan in haar kamer zitten. Kamers worden hier ‘woningen’ genoemd, een beter leven begint met andere bewoordingen.

„Ik ga zo naar de kapper”, zegt ze. „Dat is ongeveer mijn enige vermaak.”

„Bent u ongelukkig?” vraag ik.

„Ik heb een demente man waar ik niets aan heb en ik heb een slechte rug”, antwoordt ze, „maar je moet content zijn. Ik heb veel gereisd en mijn man was braaf. Ik heb geen broers of zussen, geen kinderen, ik ben alleen op de wereld.”

Ze gaat naar buiten. „Kom, schatteke”, zegt ze tegen haar man, die op de gang zit, „volg me.”

Linda en ik gaan naar Irene. Ze zit in een hoekje van de kamer met een verband om haar linkerarm.

„Wat is dat?” vraagt Linda.

„Verband”, zegt Irene.

„Hoe komt dat?”

„Weet niet”, zegt Irene.

„Dat heb jij vannacht gedaan met een mes.”

Dan is er Jean-Pierre. Hij heeft te weinig zuurstof bij zijn geboorte gekregen, is 65, zit in een rolstoel en kan niet spreken. Zijn tong hangt uit zijn mond, hij heeft speelgoed. Hij woonde hier met zijn moeder, die altijd voor hem gezorgd heeft, maar zij is dood.

„Weet hij dat zijn mama er niet meer is?” vraag ik Linda.

„Ik denk het niet”, zegt ze.

Jean-Pierre slaat met een lepel op zijn rolstoel. Men zou kunnen vragen: is dit nog een mens? Het antwoord luidt: veel mens. Jean-Pierre is mijn evenbeeld.

(Wordt vervolgd)

    • Arnon Grunberg