Opinie

    • Frits Abrahams

Wachten als morele plicht

Mensen zijn tegenwoordig heetgebakerd, ze kunnen niets meer van elkaar hebben, om het minste of geringste ontsteken ze in woede. Ziehier een stokpaardje in het sociale verkeer dat zo gretig bereden wordt dat het zo langzamerhand de uitputting nabij is.

Klopt er iets van? Ach, er klopt altijd iets van dergelijke beweringen en er zijn ook altijd wel voorbeelden bij te vinden, zeker op het internet. Maar dat geldt ook voor tegenovergestelde beweringen van deze aard, zoals ik met enkele voorbeelden uit het dagelijks leven hoop aan te tonen.

Dit mede onder invloed van de welbespraakte Eric Wiebes die ons in Zomergasten voorhield dat „optimisme de zweepslag is van de vooruitgang”. Een mooie variant van een bekende uitspraak van de filosoof Karl Popper dat optimisme een ‘morele plicht’ is. Popper voegde er nog aan toe: „Men moet zich richten op de dingen die gedaan moeten worden en waarvoor men verantwoordelijk is.”

In de Amsterdamse binnenstad parkeerde een man zijn Mercedes half aan de kant van de straat. Hij manoeuvreerde zijn auto niet helemaal horizontaal in het vak, maar reed er schuin in en stopte toen hij halverwege was. De achterkant van zijn auto bleef daardoor op de rijweg staan. Toen leunde hij tegen het geopende zijraam, pakte zijn mobieltje en begon daarin op zijn gemak te praten.

Hij wilde niet parkeren, hij wilde telefoneren. Dat zou niet bezwaarlijk zijn geweest als het overige verkeer er geen hinder van had ondervonden. Nu moesten andere auto’s zich moeizaam, samen met de fietsers, langs de Mercedes wringen. Sommige automobilisten zagen daar geen heil in en bleven liever rustig wachten tot de man was uitgebeld. Er begon een file te ontstaan, ook doordat de man geen sporen van haast vertoonde.

Ik wachtte met een groeiend legertje voorbijgangers nieuwsgierig de ontwikkelingen af. Een automobilistenopstand lag voor de hand, maar tot onze verbazing reageerde iedereen met welwillend geduld. Geen getoeter, geen gevloek, hooguit wat verbaasde blikken. Het duurde zeker een minuut of vijf voordat de man zich in zijn stoel oprichtte, zijn auto achteruitreed en – nog altijd zijn mobieltje aan het oor – zijn tocht vervolgde.

Zijn gedrag was ergerlijk, maar de reactie van de andere automobilisten kreeg juist daardoor iets sereens, iets zen-achtigs bijna, wat altijd beter is dan iets zenuwachtigs.

Dat gold enkele dagen later ook voor de automobilisten die de brug bij de Blauwburgwal op wilden rijden, maar tot stilstand werden gemaand door een Amerikaanse toeriste. Zij wees op haar gezelschap, een man en een vrouw een meter of vijftien achter haar, die elkaar halverwege de brug wilden fotograferen. Ze hoopten op een onvergetelijke foto, want ze namen er alle tijd voor. Nadat de man de vrouw had gefotografeerd, moest ook het omgekeerde gebeuren.

Je kon verwachten dat iemand vanuit zijn auto „Fuck off!” of iets dergelijks zou roepen, maar het tegendeel was het geval. De automobilisten bleven gedwee wachten tot de fotosessie voorbij was. Het werd een onbedoelde demonstratie van lankmoedigheid. De eer ging vooral naar de eerste automobilist; als die agressief was geworden, had het heel anders kunnen lopen. Maar kennelijk vond hij lankmoedigheid zijn morele plicht.

    • Frits Abrahams