Opinie

    • Ellen Deckwitz

Vervagen

Zondagavond stoof mijn zus de woonkamer binnen, roepende dat ze onze grootvader (die al vijftig jaar dood is) had gezien. „In een trip of in een droom?” begon ik zo neutraal mogelijk. „Sterf uit”, zei ze terwijl ze haar laptop openklapte. Wat bleek: mijn tante had een schoenendoos vol 8mm-filmpjes gevonden en ze laten digitaliseren. En nu zag ik opeens in knipperend beeld mijn elfjarige moeder over het strand dansen. Haar haren waaiden alle kanten op, alsof het bloempotkapsel waarin ze waren geknipt zo snel mogelijk van haar hoofd los wilde komen, omdat dat echt voor iedereen het beste was. Ook onze onlangs overleden grootmoeder zagen we door de duinen stuiteren, levendiger en gezonder dan we haar ooit hebben meegemaakt. Het was 1963, hoogzomer en mijn familie genoot met volle teugen.

Gespannen wachtte ik op de beelden van mijn grootvader. Ik ken hem alleen van een handvol foto’s en verhalen waardoor hij altijd een wat mythisch persoon is gebleven: een kind dat zijn vader, die militair maar vooral alcoholist was, altijd uit de kroeg moest plukken. Een jongen die in zijn eentje een kamp doorstond. Een man die zo knap was dat hij volgens mijn oma (die nooit vies was van een beetje indirecte zelffelicitatie) de vrouwen van zich af moest slaan.

„Dat is hem”, zei mijn zus. Er verscheen een kalende, wat dikkige man in zwembroek. Met een bak koffie nam hij plaats voor een tentje.

‘Jeetje”, zei ik, „Hij is zo, zo…” „Gewoon”, zei mijn zus. Dezelfde man gilde ’s nachts het hele huis bij elkaar. De nachtmerries over zijn kamptijd stopten nooit. Maar ook zo kon een beschadigde er dus uitzien: een man op een camping die gewoon een paf opstak.

De enige met wie hij over de oorlog kon praten was zijn vader, die indertijd krijgsgevangene in Singapore was. Op vrijdagavond kwam hij vaak langs en sloten ze zich op in de doka. Tussen de nog te ontwikkelen foto’s en filmpjes, waarop zijn kinderen blij in een zwembad springen of een shetlandpony uitlachen, wisselden zij verhalen uit. Lengden de herinneringen aan met jenever.

Zelfs mijn oma wist niet wat ze bespraken in dat lichtdichte hok, behalve dat het over Die Tijd ging. Mijn moeder kwam haar vader op zo’n vrijdagavond een keer tegen op de gang. Zijn ogen waren helemaal rood. Ze heeft heel lang gedacht dat dat kwam door de rode lampen in de doka. Pas later besefte ze dat zijn ogen rood waren om de duizenden beelden in zijn hoofd, die hij met de beste wil ter wereld nooit tot ontwikkeling zou kunnen brengen zonder er zelf door te verdwijnen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz