Maksudi verdient op zijn vuilnisbelt meer dan in de fabriek

Jakarta Na China heeft Indonesië het grootste aandeel in de plastic soep in de wereld. NRC-correspondent Annemarie Kas volgde het spoor van haar huisvuil naar een vuilstort in de hoofdstad.

De vuilnisbelt van Bantar Gebang.

Zondagen zijn de beste dagen. Soms vinden ze dan sieraden, Amerikaanse dollars en zelfs goud tussen het vuilnis. In het weekend ruimen de mensen in de chique buurten van Jakarta hun huis of hotelkamer op, zegt Maksudi. „We herkennen de nummers van de vuilniswagens die uit de dure wijken komen.”

Maksudi woont en werkt op de vuilnisbelt van Bantar Gebang, de stortplaats van de Indonesische hoofdstad Jakarta. Hij klautert bovenop de oranje vuilniswagens die hier 24 uur per dag af en aan rijden en kijkt of er iets tussen zit dat hij kan doorverkopen. Officieel mogen ze niet op de laadbakken klimmen, het is te link, maar de beveiliging laat het meestal gewoon toe.

En Maksudi, zoals veel Indonesiërs heeft hij geen achternaam, kiest bewust voor dit leven. Hij werkt liever hier dan in een fabriek, vertelt hij. „Als je niet te beroerd bent om hard te werken, verdient dit beter.” Al is niet iedereen er sterk genoeg voor, zegt hij ook: „Nieuwe mensen kunnen vaak de geur hier niet verdragen en worden binnen twee weken ziek.” De stank op de vuilnisbelt is scherp en overheersend.

Met de verstedelijking groeit de mondiale afvalberg. De toename wordt veroorzaakt door de groeiende welvaart in armere landen. Lees daarover: Ruim een ton vuil per seconde erbij

Feitelijk is de stortplaats het eindpunt van dit verhaal. Het begint bij een persoonlijke frustratie: waarom gaat al het afval hier in Jakarta op een hoop? Al mijn buren hebben één container voor hun huis staan en daar gaat alles in, van etensresten tot plastic verpakkingen en van batterijen tot de blaadjes die de hulp uit de tuin heeft geveegd die ochtend.

Indonesië heeft een afvalprobleem. Op China na heeft geen land wereldwijd een groter aandeel in de plastic soep in de oceanen dan Indonesië. Maar in megastad Jakarta, met ruim 10 miljoen inwoners, heeft de meerderheid nog nooit van afvalscheiding gehoord. Gebeurt hier íets aan scheiding of recycling, misschien verderop in de afvalverwerking? Hoe dan? Welke weg legt mijn vuilnis af?

Plastic soep

Pal voor mijn deur blijkt dat de verwachte ramp een klein beetje meevalt. Hier is de informele economie van de stad aan het werk. Timbul (ook hij heeft geen achternaam) is één van de vijf jongens die elke dag onze containers komen legen en hij maakt een eerste scheiding. Hij zoekt het plastic eruit, de flesjes en verpakkingen, en het karton en papier. Dat verkoopt hij aan de assistent van het wijkhoofd, die het weer doorverkoopt aan een recycle-bedrijfje.

Timbul krijgt een schijntje voor dit werk, zelfs voor Indonesische begrippen. Papier levert 1.000 roepia per kilo op, dat is omgerekend 6 eurocent. En plastic is 500 roepia per kilo waard, 3 eurocent. Het zou Timbul natuurlijk beter uitkomen als iedereen zijn afval gescheiden aanbiedt, dus hij moppert een beetje op de buurt. Nu is het karton vaak al zo vies en nattig dat het niet goed meer te verkopen valt. „Maar mensen zijn niet gedisciplineerd. Of misschien zijn ze lui.”

De rest van het afval – waar vaak dus nog veel karton, hout en plastic tussen zit – gaat vanaf het buurthuis regelrecht naar de stortplaats in Bantar Gebang. Chauffeur Hasrul Desrial Isman rijdt zijn vrachtwagen, nummer 1040, met trots. De wagen is pas vijf maanden oud en er past wel 12 ton in. Een hydraulische pers plet alles wat je erin gooit samen.

Nieuwe mensen kunnen vaak de geur hier niet verdragen en worden binnen twee weken ziek.

Maksudi woont en werkt op de vuilnisbelt

Uit de kampong

Al sinds de jaren negentig werkt Hasrul Isman bij de afvalverwerking in de stad en hij heeft de hoeveelheid afval in al die jaren alleen maar zien groeien. „Vroeger moest ik op zoek naar het vuilnis, nu jaagt het mij op.” Het bewustzijn groeit maar langzaam, zegt hij. „Lang niet alle huizen hebben een vuilnisbak. De nette huizen natuurlijk wel, maar 70 procent van het vuil haal ik uit de kampong. Het ligt overal.”

Isman werkte jaren geleden als chef in een restaurant. Maar toen hij in de buurt van een vuilnisdepot eens zag hoe makkelijk de mensen die daar werkten hun geld uitgaven, is hij overgestapt. Nu verdient hij zelf ook goed, zegt hij: per maand krijgt hij 6 miljoen roepia, omgerekend ongeveer 360 euro. Zijn vrienden, van wie veel een eethuis hebben, denken dat hij „een lage baan” heeft, zegt Isman. „Ik vind van niet. Ik hoef weinig bij mijn werk na te denken en het biedt me rust en stabiliteit.”

Isman vertelt dat hij naast zijn gewone route tegenwoordig nog een extra rondje door de wijken rijdt om afval voor de ‘afvalbank’ op te halen, de bank sampah. Daar krijgen inwoners van Jakarta voor hun vuilnis betaald, als ze het organische en niet-organische afval (plastic, papier, metaal) gescheiden komen inleveren. Hij moet elke dag tussen de vijf en tien zakken ‘schoon’ vuilnis aanleveren.

Dat aparte inzamelen vormt nog maar een klein deel van zijn werk. Het geld dat Isman ermee verdient, gebruikt hij als fooi voor hem en de rest van zijn team, aan het einde van het jaar en met de ramadan. Maar het stadsbestuur heeft wel gezegd dat het aantal vuilnisbanken omhoog moet, van nu 500 naar 1.300 aan het einde van dit jaar. Deze vuilnisbanken zijn de enige plekken in Jakarta waar organisch afval van de rest gescheiden wordt.

Zulke alternatieven zijn hard nodig, want de stortplaats in Bantar Gebang raakt vol. Het vuilnis vormt er metershoge bergen. Daar tussendoor slingert een file van oranje wagens, die op hun beurt wachten om hun lading te lossen. Als er niks gebeurt, zegt manager Asep Kuswanto, is de dump binnen vijf of zes jaar vol. „Misschien zelfs sneller.” Dat zou 110 hectare aan afval betekenen, 1.100.000 vierkante meter.

Deze man woont en werkt op de vuilnisbelt van Bantar Gebang.
Foto Annemarie Kas
De vuilnisbelt van Bantar Gebang.
Foto Annemarie Kas
De vuilnisbelt van Bantar Gebang.
Foto Annemarie Kas
De man linksboven woont en werkt op de vuilnisbelt van Bantar Gebang.
Foto’s Annemarie Kas

Gratis compost

De laatste jaren neemt het besef wel toe dat er iets moet veranderen in Jakarta, zegt Kuswanto. In 2016 zijn ze begonnen om compost te maken van het oudste afval. Alleen: dat is jaren oud en ze weten niet precies wat voor troep erin zit. De compost geven ze gratis weg. En volgend jaar beginnen ze met een proef om het vuilnis om te zetten in energie, met een kleine verbrandingscentrale. Kuswanto is nog op zoek naar een bedrijf dat de energie zou willen kopen.

Afval scheiden, dat gebeurt nog veel te weinig, beaamt Asep Kuswanto. Onderdeel van het gebrek aan bewustzijn is volgens hem dat de afvalverwerking gratis is voor de inwoners van Jakarta. Terwijl het de stad intussen wel 2 biljoen roepia per jaar kost, 120 miljoen euro. Je zou de bewustwording toch in één klap kunnen regelen met een afvalbelasting? „Dat zou geen populaire maatregel zijn.” Het stadsbestuur is ook bezig verspreid over de miljoenenstad vier afvalverbranders neer te zetten, maar de eerste zou pas in 2021 opengaan.

Op de vuilnisbelt sorteren de handen van Komar (52, geen achternaam) geroutineerd door, terwijl hij vertelt dat plastic hier het meeste oplevert per kilo. Hout laat hij liggen, net als oude kleren of textiel, dat is niks waard. Eten pakt hij ook nooit, hij heeft geen zin in voedselvergiftiging. Mobiele telefoons vindt hij best vaak, „alleen die zijn altijd kapot”. En als je pech hebt, vind je een dood baby’tje tussen het vuil, dat gebeurt wel een paar keer per jaar. Abortus is in Indonesië alleen toegestaan onder strenge voorwaarden.

Als je niet te beroerd bent hard te werken, verdient dit beter.

Stapels matrassen

De mensen die het afval sorteren bouwen elk hun eigen berg met grote zakken vol plastic en karton. En er liggen een paar stapels matrassen: die verzamelen ze tot het er genoeg zijn om in één keer een auto te huren om alle grote spullen weg te brengen. Kleine bedrijfjes kopen de oude spullen op en lappen ze op of brengen ze naar private recycle-centra. Volgens recent onderzoek filteren de bewoners/afvalsorteerders ongeveer een kwart van al het plastic eruit, dus driekwart blijft nog op de stortplaats achter.

Zonder deze mensen – de vuilnisbelt telt naar schatting 10.000 bewoners – was de stortplaats allang vol geweest. Hun werk is essentieel, zegt ook manager Kuswanto. Daarom krijgen ze ook hun zorgverzekering vergoed en uang bau, zegt hij, wat letterlijk ‘stinkend geld’ betekent, als compensatie voor de stank waar ze in werken. Maar een structurele oplossing is dit informele systeem natuurlijk niet.

Uiteindelijk, vertelt Kuswanto, zou elke wijk in de stad zijn eigen vuilnisbank moeten hebben, dat zou het ideale scenario zijn. En Bantar Gebang dan? Het grote voorbeeld is hoe ze in Seoul, in Zuid-Korea, hun vuilnisbelt hebben aangepakt. Daar hadden ze een stortplaats die nog veel groter was dan deze van Jakarta en die hebben ze omgebouwd tot een ecologisch park met een golfbaan en veel groen. Wie weet, ooit.

    • Annemarie Kas