Opinie

    • Maarten Zeegers

Deur dicht voor salafist. Goed besluit, Halsema

In de aanpak van radicalisering begaat de Nederlandse overheid dezelfde fouten als Saoedi-Arabië in het verleden. Amsterdam is nu gelukkig ten halve gekeerd, schrijft . „Salafisme is het probleem en dus geen onderdeel van de oplossing.”

Illustratie Hajo

In 1979 werd de islamitische wereld getroffen door een schokgolf. Drie weken na het Offerfeest drongen gewapende mannen de Grote Moskee van Mekka binnen en gijzelden honderden gelovigen. Ze wilden met deze actie het Saoedische koningshuis omverwerpen dat in hun ogen schuldig was aan de verwestersing van de samenleving en de teloorgang van islamitische normen en waarden. Als reactie bestormden veiligheidstroepen met de hulp van Franse commando’s de Grote Moskee en na een veldslag van twee weken, waarbij meer dan vijfhonderd slachtoffers vielen, gaven de bezetters zich over. De overlevende daders werden door de autoriteiten publiekelijk onthoofd.

De Saoedische koning kwam tot de conclusie dat het antwoord op dit soort religieus extremisme eigenlijk heel eenvoudig was: gewoon meer religie. Door de ultraconservatieve geestelijken die loyaal waren aan het regime te paaien, zou de extremisten de wind uit de zeilen worden genomen. En dus kwam er een verbod op afbeeldingen van vrouwen in kranten en op televisie, werden bioscopen en muziekwinkels gesloten, werd er een strenge segregatie doorgevoerd tussen mannen en vrouwen en kreeg de religieuze politie verregaande bevoegdheden. Kortom: Saoedi-Arabië veranderde in het land dat het nu is.

Afgelopen week kondigde de kersverse burgemeester van Amsterdam, Femke Halsema, aan dat ze niet langer gaat samenwerken met salafistische organisaties bij de aanpak van radicalisering onder moslimjongeren. Dit leidde tot de nodige kritiek, onder meer van hoogleraar recht Tom Zwart in Nieuwsuur. Die stelde dat intensieve samenwerking met salafistische organisaties juist zeer effectief is, omdat deze organisaties in hoog aanzien zouden staan bij jonge moslims en hen dus van jihadistisch en radicaal gedachtegoed kunnen afhouden.

Maar is het wel zo verstandig voor de overheid om in zee te gaan met fundamentalistische gelovigen? In het Midden-Oosten hebben ze daar behoorlijk wat ervaring mee opgedaan. De meeste regimes deden de afgelopen vijftig jaar verregaande handreikingen aan het religieuze establishment in de hoop daarmee de extremistischere elementen buitenspel te zetten. Het gevolg was dat er steeds religieuzere wetgeving werd doorgevoerd.

Natuurlijk verandert Nederland niet meteen in een tweede Saoedi-Arabië wanneer een gemeente besluit om aan tafel te gaan zitten met salafisten. Toch zou de overheid er verstandig aan doen om zich niet te veel in te laten met groeperingen die er fundamenteel andere overtuigingen op na houden wat betreft vrijheid van meningsuiting, gelijke rechten voor vrouwen en onze democratie. Bijvoorbeeld door niet samen met salafisten zitting te nemen in officiële samenwerkingsverbanden.

Lees ook: Amsterdam weet niet meer wie er geradicaliseerd is

Het is namelijk een hellend vlak. Wanneer de overheid een beroep doet op salafistische organisaties, bijvoorbeeld voor hulp bij het signaleren van radicalisering of het opzetten van deradicaliseringsprogramma’s, dan is het niet geheel onlogisch dat die organisaties daar ook wat voor terug willen. In de vorm van erkenning, overheidssubsidie, of zelf invloed op gemeentelijk beleid. Daarmee werkt de overheid impliciet mee aan de legitimering en het verspreiden van de salafistische boodschap.

Bovendien werkt de methode in de praktijk niet eens. Heeft de Saoedische knieval aan de geestelijkheid een einde gemaakt aan extremistische ideologieën in het land? Het merendeel van de kapers van de vluchten op 11 september had de Saoedische nationaliteit. Daarnaast is Saoedi-Arabië hofleverancier van jihadstrijders in Syrië.

Ik herinner me de imam van een salafistische moskee in Den Haag die verklaarde wekenlang gesprekken te hebben gevoerd met een jongen die van plan was naar Syrië te gaan. „Eindelijk dacht ik dat ik het idee uit zijn hoofd had gepraat”, vertelde de imam. „Twee dagen later was hij vertrokken. Om moedeloos van te worden.”

Salafisme is eerder onderdeel van het probleem dan dat het bijdraagt aan een oplossing. Het merendeel van de Syrië-gangers heeft direct of indirect een connectie met het salafisme. Of ze bezochten salafistische moskeeën, of ze volgden lessen bij salafistische geestelijken. Dat wil niet zeggen dat salafistische imams actief de jihad promoten, maar helemaal toevallig is het ook weer niet. Ook de leiders van de bezetting van de Grote Moskee bleken achteraf studenten te zijn geweest van Abdoelaziz bin Baaz, een salafistische geestelijke die zijn leven lang belangrijke religieuze posities bekleedde voor de Saoedische overheid.

Maar bovenal begeeft de seculiere overheid zich op glad ijs. Indien ze zich gaat bemoeien met theologische aangelegenheden, komt de scheiding tussen moskee en staat onder druk te staan. De overheid kan zich beter concentreren op het oplossen van sociale, economische en psychologische problematiek onder jongeren, omdat dit veel effectiever is in de bestrijding van radicalisering dan het subsidiëren van een verdiepend salafistisch lesprogramma.

    • Maarten Zeegers