Kritiek op EU-lessen die door EU worden betaald

Onderwijs De Europese Commissie geeft geld aan universitaire leerprogramma’s over de EU. Aanvragers moeten Europese integratie stimuleren. Dat levert kritiek op.

De Fransman Jean Monnet (1888-1979) was een van de vaders van de Europese eenwording. Zijn archieven worden bewaard door de Jean Monnet Foundation for Europe, in Lausanne. Foto Valentin Flauraud/EPA

‘Hoe de wind in de zeilen van de Europese Unie te houden.’ Het was vorig jaar een discussiethema op een congres voor hoogleraren en andere deelnemers aan het Jean Monnet-programma van de EU, waar Nederlandse hogescholen en universiteiten fondsen uit ontvangen. Aangezien de EU niet onomstreden is, doet een debat zoals dit wenkbrauwen fronsen. Zo zet Adriaan Schout, coördinator EU-studies aan Instituut Clingendael, vraagtekens bij de financiële steun uit Brussel. „Het Jean Monnet-programma is het marketingvehikel van de EU. De Unie is bezig met het verwerven van draagvlak en het creëren van een Europees narratief. Je kunt je afvragen of het wetenschappelijk onderwijs daarvoor moet dienen”, zegt Schout.

De vraag is actueel geworden nu de SP Kamervragen heeft gesteld over de invloed van de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EU, op het hoger onderwijs in Nederland. Aanleiding voor de vragen is een scriptie van een studente Europese studies die stage liep bij de Tweede Kamerfractie van de partij. Volgens deze Kirsten Derksen is haar studie „erg pro-Europees” ingericht. Ze onderzocht of ‘Brussel’ daar iets mee te maken heeft en stuitte onder meer op het Jean Monnet-programma, naar een van de grondleggers van de EU. Er zijn plannen dit programma uit te breiden naar andere delen van het onderwijs.

NRC checkte deze SP-bewering: ‘Bij kritiek op EU geen subsidie uit Brussel’

Uit ‘Jean Monnet’ financiert de Europese Commissie aanvullende leerprogramma’s over de EU, interfacultaire ‘centres of excellence’, leerstoelen, netwerken van wetenschappers op EU-gebied, projecten die ‘EU-content verspreiden’ en verenigingen van EU-docenten en onderzoekers.

Om ervoor in aanmerking te komen, gelden eisen als bevordering van een ‘actief Europees burgerschap’, stimulering van de ‘Europese integratie’ en zijn er aansporingen deel te nemen aan het publieke debat en boeken te publiceren, waarvan de kosten worden gedekt door de EU.

Stimuleren van actief Europees burgerschap en Europese integratie zijn politiek gezien hoogst omstreden onderwerpen. De Britten kozen er zelfs voor de Europese integratie de rug toe te keren en de EU te verlaten. Meerdere politieke partijen vinden dat Nederlandse burgers niet ook EU-burger zouden moeten zijn, laat staan hun EU-burgerschap ‘actief’ te belijden.

Docenten en hoogleraren die gebruikmaken van de Jean Monnet-gelden zeggen niet te begrijpen waar de SP zich druk om maakt. Ze wijzen erop dat het om betrekkelijk kleine bedragen gaat, van tienduizenden tot enkele honderdduizenden euro’s, die de Commissie toekent in samenwerking met externe deskundigen.

Adriaan Schout vindt dat de docenten en hoogleraren zich er te makkelijk van afmaken. „Ik snap heel goed dat een politicus hier vragen over stelt”, zegt Schout. Hij wijst erop dat de Franse president Emmanuel Macron een netwerk van twintig Europese universiteiten bepleit en de vorige, pro-Europese regering van Italië een vertienvoudiging wenste van het aantal Erasmus-uitwisselingsstudenten. „Zij willen het Europees burgerschap versterken. Niet toevallig zijn dit ook de landen die pleiten voor solidariteit bij het ondersteunen van de euro”, zegt Schout – EU-jargon voor financiële steun uit rijke eurolanden wanneer het misgaat in arme eurolanden.

Lees ook: Brexit knaagt aan Erasmus, ‘het grootste succes’ van de EU

Dit soort kritische analyses zegt Schout bij studenten en docenten Europese studies weinig terug te zien. „De denkrichting neigt meestal naar het optuigen van meer Europese federale structuren om problemen zoals die met de euro op te lossen.”

Felle debatten

Schout krijgt bijval van Wim Voermans, hoogleraar staats- en bestuursrecht in Leiden. Hij zegt dat de EU veranderd is van een economische samenwerking in een politiek project dat onderwerp is van felle debatten. Hij vindt het daarom onverstandig dat lessen over de EU mede door diezelfde unie worden gefinancierd.

Het meest kritisch is Voermans over de Jean Monnet-leerstoelen. Die gaan vaak naar betrekkelijk onervaren wetenschappers. Om ervoor in aanmerking te komen, moeten ze lessen voorstellen over EU-beleid waarin nog niet wordt onderwezen. „Als onervaren wetenschappers zo’n leerstoel krijgen, bestaat het risico dat ze uit loyaliteit of dankbaarheid de EU naar de mond gaan praten”, zegt Voermans. Ook hekelt hij het grote aantal Jean Monnet-leerstoelen: nu bijna negenhonderd wereldwijd. Ze worden toegekend aan docenten en hoogleraren in allerlei disciplines die les willen geven in EU-beleid op hun vakgebied. De bijdrage van zo’n 50.000 euro wordt verspreid over drie jaar, maar de leerstoelhouders mogen zich hun carrière lang Jean Monnet-hoogleraar noemen.

Het risico bestaat dat ze de EU naar de mond praten

Wim Voermans hoogleraar

Schout van Clingendael vraagt zich af waarom universiteiten een externe organisatie deze titels laten uitdelen. Dit raakt volgens hem aan de wetenschappelijke onafhankelijkheid.

De relatie tussen de leerstoelhouders en Brussel lijkt soms innig. Zo laat de Europese Commissie weten gedurende hun carrière, onder meer via congressen zoals die van vorig jaar, contact te onderhouden met wetenschappers die de leerstoel bekleden. De term „prestigieus” klinkt vaak wanneer universiteiten nieuwe Jean Monnet-benoemingen bekendmaken. „Een van de hoogste onderscheidingen die een Europese wetenschapper kan ontvangen”, schrijft de Erasmus Universiteit Rotterdam in een jaarverslag. Zo zien de leerstoelhouders dat zelf doorgaans ook. „Een eretitel”, vindt hoogleraar Europese integratie Jan van der Harst (Rijksuniversiteit Groningen), die de leerstoel sinds 1996 bekleedt. „Eervol”, zegt ook Sonja Bekker, universitair hoofddocent Europees sociaal beleid aan Tilburg University en sinds vorig jaar in bezit van de titel.

De Europese Commissie bekommert zich ook om de carrièreontwikkeling van de academici. Daarvoor zijn de leerstoelen volgens Brussel mede bedoeld en zo functioneren ze ook, zeggen de leerstoelhouders. „Een opstapje”, noemt Van der Harst, die in 2008 hoogleraar werd, zijn Jean Monnet-leerstoel. „Je kunt je ermee profileren”, zegt Bekker.

Complimentjes

De Commissie deelt bovendien complimentjes uit. Zo werd het universitaire Maastricht Centre for European Governance beloond met de eretitel ‘succesverhaal’. Onder meer vanwege zijn bijdrage aan beleidsvorming en het organiseren van een Europees verkiezingsdebat in 2014, dat op televisie werd uitgezonden.

De Jean Monnet-wetenschappers zeggen zich wel tot Europa te moeten richten, omdat de Nederlandse overheid al jaren beknibbelt op het hoger onderwijs. „De universiteit wordt steeds meer een zelfbedruipend bedrijf, dus het helpt je carrière wanneer je in staat bent zelf geld binnen te halen”, aldus Jorrit Rijpma, universitair hoofddocent Europees recht in Leiden en sinds vorig jaar Jean Monnet-professor. „Ga het maar in Europa halen, wordt er wel eens gezegd. Dan is het niet gek dat dat ook gebeurt”, zegt Sophie Vanhoonacker, decaan van de faculteit cultuur- en maatschappijwetenschappen in Maastricht, Jean Monnet-leerstoelhouder en bestuurslid van Cerim, het Jean Monnet-centre of excellence in Maastricht, dat 100.000 euro uit Brussel ontving. Dat botst volgens haar niet met de wetenschappelijke onafhankelijkheid. „Ik ga niet anders praten over Europa omdat ik toevallig wat geld uit Brussel krijg.”

‘Kleine kruimeltjes’

De Nederlandse politiek laat het volgens Vanhoonacker nog altijd afweten bij het voeren van een gedegen EU-debat. De Europese Commissie zou daar „met kleine kruimeltjes” wat aan doen. Daarbij dus gesteund door het Nederlandse hoger onderwijs.

Jan van der Harst van de Rijksuniversiteit Groningen vindt een Jean Monnet-doelstelling als het stimuleren van ‘actief Europees burgerschap’ niet passen bij een universiteit, maar hij neemt dat soort doelstellingen niet al te serieus. „Dat is maar een slogan. Als je college geeft over de EU, sta je echt niet te denken aan het creëren van burgerschap.”

Adriaan Schout van Clingendael is niet overtuigd. Hij vreest een „zelfrefererend” systeem waarin externe deskundigen, gelieerd aan onderzoek dat door de EU wordt gefinancierd, de voorstellen van subsidie-aanvragers beoordelen. Schout: „Hoe dat toewijzingsproces precies verloopt is onduidelijk. Ik ben benieuwd hoe de politieke discussie hierover zich gaat ontwikkelen.”

    • Wilmer Heck