Opinie

    • Jannetje Koelewijn

De bloeddorst bij het roepen van zijn naam

Naar de mode van zijn tijd had hij de idylle van het plattelandsleven moeten verheerlijken, maar de Engelse dichter George Crabbe (1754-1832) beschreef liever de gruwelen ervan. Hij had ze gezien en meegemaakt toen hij nog huisarts was in het dorp Aldeburgh, in het graafschap Suffolk aan de kust van de Noordzee. In zijn werk The Borough (1810) vertelt hij over de visser Peter Grimes, een dief en een vadermoordenaar die in een ‘workhouse’ in Londen tegen betaling een weesjongen haalt om zijn agressie op te botvieren. Hij slaat hem en martelt hem en misbruikt hem en geen dorpeling die zich afvraagt waarom Sam, zoals de jongen heet, zo gebogen loopt en vol blauwe plekken en rode striemen zit. Huilen mag hij niet, genoeg te eten krijgt hij niet, slapen durft hij niet, en na drie jaren „in hunger, peril, pain” sterft hij.

„Hoe kan dat?”, vragen de mensen dan aan Peter Grimes. „Hoe is Sam gestorven?” Grimes gromt en zegt dat Sam dood in zijn bed lag. Er komen meer vragen, er zijn allerlei verdenkingen, maar niets kan worden bewezen en Peter Grimes gaat vrijuit. Hij reist naar Londen om in het werkhuis een nieuwe jongen te gaan halen.

De Engelse componist Benjamin Britten woonde in Californië toen hij en zijn partner, de tenor Peter Pears, The Borough lazen, in 1941. Ze waren er zo van onder de indruk dat het hun leven zou veranderen. Ze gingen terug naar Suffolk, waar Benjamin Britten vandaan kwam – ze zouden zich uiteindelijk zelfs in Aldeburgh vestigen – en Benjamin Britten zou er een van de mooiste en meest emotionerende opera’s van de twintigste eeuw maken: Peter Grimes. De première was in juni 1945, Peter Pears zong de hoofdrol. Waarom vertel ik het? Omdat ik bij de berichten over Jos B. deze week, en vooral bij de foto’s waarop hij machteloos op de grond ligt, het koor van de dorpelingen hoor die Peter Grimes aan het zoeken zijn en zijn naam roepen. De woede, de bloeddorst. Grimes is tijdens een storm de zee op gegaan met zijn scheepsjongen, John, en is zonder hem teruggekeerd. Johns trui, gebreid door de schooljuffrouw met wie Grimes later als hij rijk is wil trouwen, is aangespoeld op het strand. Alleen, en hier zie je wat kunst met je kan doen, laten Britten en zijn librettist je al in de eerste scène twijfelen aan de schuld van Grimes. De lijkschouwer, tevens advocaat en burgemeester, vindt geen bewijzen voor moord en besluit dat Johns dood een ongeluk moet zijn geweest. Hij adviseert Grimes wel om geen jongen meer als hulpje te nemen, maar een volwassen man, big enough to stand for himself. „Nee”, zegt Grimes. „Een jongen moet ik hebben.” Hoe loopt het af? De dorpelingen hebben hun oordeel geveld en Grimes ziet geen andere uitweg dan in zijn eentje de zee op te roeien. De volgende ochtend meldt de kustwacht: bootje vergaan.

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) schrijft deze week de wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.

    • Jannetje Koelewijn