Opinie

    • Jannetje Koelewijn

Zwarte Paul rukte het kind uit haar armen

Een brief van een vrouw uit Den Haag, met de hand geschreven. Wat Piet Vogel is overkomen, schrijft ze, is haar ook overkomen. Hij werd in mei 1945 door de Binnenlandse Strijdkrachten bruusk van zijn moeder gescheiden, een jongetje van zeven. Maar zíjn vader had voor de Duitsers gevochten en die van haar niet. De enige misdaad van haar vader was dat hij voor de oorlog uit Wenen was gekomen en in Naaldwijk een tuindersbedrijf was begonnen, met zijn half-Joodse vrouw. En dat hij het Duits machtig was.

Op 6 augustus 1945 – de vrouw uit Den Haag was een meisje van zes – werd de hele familie ’s nachts om twaalf uur uit huis gehaald en in een open vrachtwagen geladen. „We reden naar Vlaardingen”, zegt ze als ik haar spreek. „Daar zag ik rijen gevangenen met kettingen om hun enkels lopen.” Daarna gingen ze naar Schiedam, naar een leegstaand schoolgebouw. Haar ouders werden gevangengezet, en wat ze nooit is vergeten: hoe de baas van het kamp, Zwarte Paul, haar zusje van vier uit haar moeders armen rukte. „Ik stond ernaast.” De kinderen werden apart ondergebracht en daar moest haar zusje overgeven. „Ik was zo bang dat het ontdekt zou worden dat ik er een kussen overheen heb gelegd.”

Lees beide columns van Jannetje Koelewijn over de familie Vogel: Lotgevallen I en Lotgevallen II

Ze wil niet dat ik haar naam noem – „te pijnlijk” – en ik denk: ze heeft gelijk. Piet Vogel kreeg na de columns die ik over hem schreef mensen aan de deur die hem met bloemen hun steun kwamen betuigen. Maar ik kreeg, naast aardige reacties, ook mails waarin hij werd uitgescholden. Trauma? Hij? Kinderen van NSB’ers verdienden geen medelijden, nog steeds niet.

De vrouw uit Den Haag, ze is lerares geschiedenis geweest, vindt dat ze er beter vanaf is gekomen dan Piet Vogel, die lang in het kindertehuis verbleef en verschrikkelijk gepest werd. Zij mocht na twee weken met haar zusje naar het gezin van vrienden van haar vader en daar werden ze liefdevol opgevangen. Hun moeder kwam in november vrij, haar vader in december. Andere tuinders uit Naaldwijk hadden een petitie aangeboden aan de autoriteiten: deze man had zich in de oorlog correct gedragen. Nooit te veel geld gevraagd als mensen uit de stad in de Hongerwinter om eten kwamen. Maar hun huis hadden ze niet meer teruggekregen. En hun spullen waren geroofd. Uit de brief: „Mijn moeder wees mij op ’t feit dat er kinderen op straat liepen met mijn schoenen en kleren aan.” Het fornuis stond bij mensen elders in het dorp.

De Binnenlandse Strijdkrachten waren voormalige verzetsstrijders die zich niets aantrokken van de wapenstilstand die geallieerden met de Duitsers hadden gesloten. Hun aantal was na oktober 1944 van 25.000 naar 150.000 gegaan. De vrouw, bijna 80, wil haar verhaal voor haar dood ook nog kwijt aan het Historisch Archief Westland. Ze wil niet dat deze details uit onze geschiedenis vergeten worden.

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) schrijft deze week de wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.
    • Jannetje Koelewijn