Veel regen in Duitsland, dat heeft de rivier nodig

Waterstand

Voor de binnenvaart is het oppassen bij lage waterstanden. Daar staan hogere inkomsten voor de schippers tegenover.

Rijkswaterstaat meet de diepte van de Waal bij Nijmegen. Foto Rien Zilvold

Het is druk op de Waal. Containerschepen, duwboten, tankers en passagiersschepen zoeken naar ruimte op het water bij Nijmegen. Over de marifoon van een patrouillevaartuig van Rijkswaterstaat meldt zich een boze schipper. „Zit je te slapen of zo?”, roept hij tegen een rakelings passerende collega. „Je moet verdomme opletten!” Het loopt goed af, een aanvaring blijft uit.

Het is begrijpelijk dat schippers in deze tijden van lage waterpeilen af en toe wat „mopperen”, vertelt mobiel verkeersleider Roland de Vries van Rijkswaterstaat. Ze hebben door de lage waterstanden een smallere vaargeul dan gebruikelijk. Bovendien zijn er meer schepen op de rivier; een schip kan nu immers minder lading vervoeren, de vracht moet over meer schepen worden verdeeld. „Dan krijg je soms dit soort situaties. Het is echt uitkijken.”

Aan Rijkswaterstaat de taak dit in goede banen te leiden. Op alle grote rivieren meten patrouillevaartuigen van Rijkswaterstaat de zogenoemde ‘minst gepeilde diepte’: het punt in een stuk rivier met de laagste waterstand. Deze meting is van groot belang voor de binnenvaart tijdens de droogte die nu al maanden aanhoudt en zelfs niet is verdreven door de regen van de afgelopen dagen.

„Wat we vooral nodig hebben voor de rivieren”, zegt De Vries, „is regen in Duitsland. De prognoses zijn wat dat betreft niet zo gunstig.”

De waterstand op de Rijn is gedaald tot onder de zeven meter boven NAP bij Lobith. Ter vergelijking: in januari dit jaar was de waterstand, bij hoog water, ruim veertien meter boven NAP. En hoe lager deze minst gepeilde diepte, hoe minder je als schipper kunt laden. „Het scheelt op dit moment 50 tot 60 procent aan lading.” Terwijl de kosten van een varend schip gewoon doorlopen.

Foto Rien Zilvold
Foto Rien Zilvold
Foto Rien Zilvold

Ultrasoon geluid

Met tien kilometer per uur vaart het patrouilleschip heen en weer over de Waal bij Nijmegen. De diepte wordt allang niet meer gepeild met een slaggaard, een stok met markeringen, maar digitaal, met ultrasoon geluid, per blok van zeven bij zeven meter, zodat de afstand tussen rivierbodem en waterspiegel nauwkeurig kan worden bepaald.

Elke ochtend geeft Rijkswaterstaat ten behoeve van de scheepvaart de minst gepeilde diepte op de rivieren door aan de scheepvaart. Voor de drukbevaren Waal geldt: zodra de diepte in de ongeveer honderdvijftig meter brede vaargeul ergens minder dan drieënhalve meter bedraagt, wordt de scheepvaart ingelicht.

Lees ook: Wat heeft Nederland geleerd van de hevige droogte?

Vandaag is de minst gepeilde diepte 1,90 meter, bij Millingen. Dat getal geldt normaal gesproken voor de gehele Waal, tussen Millingen en Loevestein, terwijl er natuurlijk óók grote delen van de rivier veel minder ondiep zijn. „Het is net zoiets als wanneer je in de auto hoort dat er een file op de A2 staat. Daar heb je weinig aan. Je wilt weten wáár precies die file staat”, zegt Peter Schaberg, beleidsadviseur van Koninklijke BNL-Schuttevaer, de brancheorganisatie voor de binnenvaart.

De schippers hebben vorige week gekregen wat ze vroegen: niet één maar drie punten met de minst gepeilde diepte op de Waal. Niet elke schipper vaart immers naar Duitsland en heeft met die 1,90 meter te maken, maar vaart, bijvoorbeeld, alleen op de route tussen Loevestein en het Maas-Waalkanaal. „Dat scheelt op die route vandaag dertig centimeter”, zegt De Vries. „Dat betekent dat een gemiddeld schip driehonderd ton méér lading kan meenemen.” Hij lacht. „Wij verlenen deze service graag aan de binnenvaart. Het is goed voor de economie.”

Ook al kost het Rijkswaterstaat meer tijd en moeite, want niet alleen moet er meer en vaker worden gemeten, ook moeten er meer boeien ter markering op het ondiepere gedeelte worden gelegd. De scheepvaart is er blij mee. „Wij streven ernaar dat de maatregel uiteindelijk structureel wordt ingezet”, aldus BNL-Schuttevaer.

Foto Rien Zilvold

Zo rampzalig niet

Wie denkt dat de lage waterstanden de binnenschippers een financiële strop bezorgen, slaat de plank mis. Een jaar met veel laag water is meestal goed voor een hogere omzet, „met ongeveer 20 procent”, vertelt beleidsadviseur Schaberg van BNL-Schuttevaer.

Verladers moeten meer schepen inzetten om de vracht op de plaats van bestemming te krijgen, en de prijs van die schepen wordt hoger bij schaarste. Natuurlijk zijn er ook veel vaste jaarcontracten, maar ook daarin worden afspraken gemaakt over „laagwatertoeslagen”. Zo rampzalig zijn de lage waterstanden voor de binnenvaart dus helemaal niet.

Wel zorgwekkend, stelt Schaberg, is dat als de droogte heel lang aanhoudt, de positie van de binnenvaart als betrouwbare vervoerder schade oploopt. „Wij willen graag het filevrije alternatief blijven voor vrachtwagen en trein. We willen niet dat verladers voor een ander vervoer gaan kiezen.”

    • Arjen Schreuder