Recensie

Stemmen zweven op de thermiek van de Domkerk bij Festival Oude Muziek

Het Festival Oude Muziek toont de dubbelzinnigheid van het Bourgondische: rauwe seks en de tederheid van de polyfonie.

Het Belgische koor Vox Luminis. Foto Anna van Kooij

Het Festival Oude Muziek zoomt dezer dagen in op de meerstemmige rijkdom van de Bourgondische hertogen. Paul van Nevels Huelgas Ensemble opende de tiendaagse vrijdagmiddag met een Bourgondisch componistenalfabet in drie concerten. Katholieke klanken vulden de door protestanten ontklede Jacobikerk, waar weinig meer herinnert aan de uitbundige beeldcultuur van het roomse leven. De stemmen van het Huelgas Ensemble blazen adem in het doodse gewelf.

Het officiële openingsconcert, later op de avond, ontvouwt zich als muzikale viergangenmaaltijd, een massale estafette door de Utrechtse binnenstad leidt het publiek langs vier korte concerten in Domkerk, Kytopia (of Lutherse Kerk), Catharinakathedraal en Nicolaïkerk.

Die laatste plek is het verduisterde domein van Graindelavoix van Björn Schmelzer. Onder een enkel peertje krijgen de schaduwen vrij spel, ook in de kring van de vijf zangers. De gloeiende stemmen beschrijven het genot van de pijn en de pijn van het genot. De sensualiteit klinkt hier rauw en lichamelijk, niet gesublimeerd, zoals bij Cantica Symphonia en Vox Luminis elders op de route.

De broeierigheid van de muzikale vrijstaat Kytopia – de oude poptempel Tivoli – blijkt geen geschikte biotoop voor de klavecimbel van Paolo Zanzu. Op het snel ontstemde instrument tracht hij vergeefs het zangerige karakter van François Couperin op te roepen. Behalve Bourgondië is ook de Franse barok een rode draad in het Festival Oude Muziek, vooral met vertolkingen van Jean-Philippe Rameau en Couperin.

Op zaterdag buigen twee gezelschappen zich in TivoliVredenburg over Rameau. Gli Angeli Genève ontfermt zich over enkele cantates, zelfs een nog nimmer uitgevoerde van Claude Bernard Rameau, broer van Jean-Philippe. Die bevat een onderhuidse sneer naar de Bourgondiërs: het hoofdpersonage zwelgt in de genoegens van de drank, maar ontdekt dat ze niets voorstellen vergeleken met het genot van de liefde. „Laten we niet luisteren naar de praatjes van de oudjes.”

In Rameaus motetten ontbeert het Belgische Vox Luminis de magie van de vrijdagavond in de Domkerk, waar zijn stemmen moeiteloos zweefden op de thermiek. Maar in de concertzaal lijken ze op tegenwind te stuiten. Je hoort hoe hard de zangers hier voor een mooie klank moeten werken. De solerende countertenor heeft er zelfs de mouwen van zijn colbert bij opgestroopt. Maar zijn stem komt niet los van de grond; de gewichtsloze betovering blijft uit.

    • Joost Galema