Opinie

    • Frits Abrahams

Op jacht naar muis en insect

Het was een aangename ervaring om even op de afdeling Dierplaagbeheersing van de GGD Amsterdam te mogen vertoeven. Ik hoef er niet dagelijks te zijn en daarom besloot ik mijn ogen en oren goed de kost te geven.

De afdeling zetelt op de vierde verdieping van een kantoorgebouw dicht bij de drukke Wibautstraat. Ik werd bij het verlaten van de lift meteen begroet door een groot reclamebord met de foto van een rat en de tekst: „Vogels voeren? Deze gast eet ook mee.” Als ik een vrolijke vogel was, zou ik daar niet vrolijker van worden.

Bij het loket moest ik op mijn beurt wachten omdat een jonge vrouw informatie stond in te winnen over de bestrijding van muizen. Ze praatte moeizaam Nederlands met een log Oost-Europees accent en ze had alle tijd. Ze vertelde dat ze „ongeloifelijk veel moizen” op bezoek kreeg in haar flat op driehoog. Ze kwamen via het balkon haar woning binnen en marcheerden door naar haar slaapkamer als er in de keuken niks lekkers te vinden was.

De lokettist luisterde met bewonderenswaardig veel geduld, zelfs nadat ze hem had toevertrouwd: „Ik heb ook last van psychoses, dan zie ik nog meer moizen.”

Hij demonstreerde een moderne muizenval, waarbij de val in een kleine plastic doos zit. Het is de bedoeling dat de val op de eerste dag nog niet aangespannen wordt. De muis betreedt de doos, kuiert rond de val, snoept wat van de aangebrachte pindakaas en denkt: „Prima Febo, ik kom morgen weer even langs.” Maar dán is hij het muisje, want de val komt opeens tot leven, als een guillotine bij een terdoodveroordeelde.

„Kunnen er mehr moizen in één val?” vroeg de vrouw bloeddorstig. De lokettist moest haar teleurstellen, waarna ze besloot de aankoop nog even uit te stellen. We waren twintig minuten verder. Ik mocht!

Ik overhandigde hem een doosje waarin mijn vrouw een nietig insect had opgeborgen. Ze had het thuis aangetroffen in het washok en geen genade gekend. Maar wat was het precies? De vraag werd urgent, want het was al het vierde verdachte beestje van de afgelopen weken. Werd het tijd voor een klopjacht of konden we volstaan met invoering van de avondklok? De afdeling Dierplaagbeheersing van de GGD moest het antwoord weten.

De lokettist schakelde ‘de bioloog’ in, een vriendelijke man die het flets uitgeslagen lijkje in een aangrenzende kamer geroutineerd onder de microscoop legde. Hij had nog geen tien seconden nodig. „Papiervisje.”

Ach, jezus, die kende ik wel. Ik had ze weleens bij kennissen in actie gezien, bedrijvig spurtend tussen de boeken en de kranten. „Ze zitten op donkere plekken en houden van loze ruimtes”, vertelde de bioloog. „Ze eten papier en textiel. U kunt ze proberen op te zuigen met een nylonkousje om de opening van de stofzuiger. Spuit met een insectenspray, plaats ook wat lijmvallen.” Ze waren moeilijk uitroeibaar, net als de zilvervisjes waar ze op lijken, je mocht al blij zijn als je de populatiegroei kon afremmen.

Thuis bracht ik somber rapport uit. Mijn vrouw stond al bij de stofzuiger. Dit werd een klopjacht, dat was duidelijk. Álle donkere plekken, álle loze ruimtes en álle boeken zouden worden doorzocht. „Zorg dat het geen psychose wordt”, riep ik haar nog na, maar ik denk niet dat het zal helpen.

    • Frits Abrahams