Brieven

Illustratie Cyprian Koscielniak

In ‘Diversiteit kunst dwingen we vanaf nu af met subsidie’ (22/8) pleiten zeven directeuren van evenzoveel fondsen voor meer diversiteit in de kunst: „alle verhalen moeten verteld en gehoord worden”. Zij zijn er tegen dat in het publieke debat„met steeds zwaardere nadruk op identiteit, mensen eerder in een hokje geplaatst worden dan eruit bevrijd”. Hoe je inclusief kunt zijn zonder nadruk op identiteit is echter een volstrekt raadsel. Diversiteit draait immers om de pluriformiteit van identiteiten. Zonder hokje geen identiteit en dus niets dat geïncludeerd kan worden. De cruciale premisse van het betoog, verhuld in de bewering dat alle verhalen verteld moeten worden, is de politieke stellingname dat diversiteit en inclusiviteit maatschappelijke doelen zijn die de culturele sector dient te bevorderen. Kritiek op de diversiteitsgedachte geldt echter als „een valse noot in de discussie”. Tegenspraak is niet de bedoeling. Voor je het weet staat er een rechtse blanke man in het theater. De diversiteitsgedachte in de kunst gaat uit van het stalinistische idee dat kunstenaars de ingenieurs van de ziel zijn, dat zij emancipatoire gedachten dienen te verbeelden, zodat niet alleen blanke middelbare academici zich aangesproken voelen, maar ook alleenstaande zwarte bijstandsmoeders. Maar kunst dient geen doel buiten zichzelf. Kunst is geen smeermiddel voor de maatschappelijke betrekkingen, geen lijm voor sociale cohesie en ook geen ideologische voorlichting. Natuurlijk, kunst kan iemand wakker maken of woedend, kan aanzetten tot politieke stellingname, maar die effecten zijn niet het doel ervan. Een roman is geen traktaat en een schilderij is geen affiche. Ze mogen alleen als roman of schilderij worden beoordeeld. Kunst beoordelen en belonen met de meetlat van diversiteit betekent het gebruik van een oneigenlijk politiek criterium dat thuis hoort in de politiek.

    • Sjoerd van Hoorn