Recensie

Ze kriebelen en krioelen, maar noem ze géén rotbeesten

Kinderboek Negenentwintig insecten worden op een sokkel gehesen in het non-fictieboek Rotbeesten van journalist Gemma Venhuizen en tekenaar Tjarko van der Pol. Aanstekelijk dankzij de humorvolle verteltoon en verhalende tekeningen.

Tekening uit besproken boek. Illustratie Tjarko van der Pol

Muggen in de tent. Mieren in het suikerblik. Wespen bij het ontbijt: wat een rotbeesten. Voor wie zijn vakantie niet wil laten verpesten door prikkende, bijtende of jeuk veroorzakende insecten staat het internet vol met tips en, vaak giftige, middeltjes voor in de reisapotheek. Maar dat meppen en spuiten heeft zijn keerzijde: het heeft een slechte uitwerking op de insectenstand en daarmee onherroepelijk op ons eigen leefgebied.

Natuur- en wetenschapsjournalist Gemma Venhuizen vond het daarom tijd die vermeende rotbeesten eens in een positievere context te plaatsen. Daartoe maakte ze met illustrator Tjarko van der Pol een aanstekelijk kinderboek over negenentwintig verschillende huis-tuin-en-keukeninsecten, deels gebaseerd op een rubriek in NRC. Tot de snel groeiende stapel insecten-non-fictie die Rotbeesten voorgingen behoren mooi verzorgde en informatieve kijkboeken als Het wonderlijke insectenboek van Bart Rossel en Medy Oberendorff, dat de Penseeljury dit jaar met een Vlag en Wimpel bekroonde, en het recent verschenen Heel kleine beestjes. De onzichtbare wereld (z)onder de microscoop van Hélène Rajcak en Damien Laverdunt.

Wat het boek in oblong-formaat vooral tot zo’n onderhoudend lees,- kijk- en bladerboek maakt, is Venhuizens enthousiaste, humorvolle verteltoon. Alle kriebeldieren spreekt ze rechtstreeks aan, waardoor ze effectief op ons (schuld)gevoel inspeelt. ‘Of ik het erg vind dat je me al een uur wakker houdt?’, begint ze bijvoorbeeld haar veronderstelde dagboekfragment waarin de gewone steekmug aan bod komt. ‘Natuurlijk niet. Die hoge zoemtoon van jou… net een vioolsonate.’ De tekst over de bedwants heeft ze dan weer in de vorm van een spitsvondige liefdesbrief gegoten: ‘Lieve B.,’ schrijft Venhuizen, ‘nog regelmatig denk ik terug aan onze nacht samen, jaren geleden in dat tweesterrenhotel in Parijs. […] De volgende ochtend, toen ik mezelf in de spiegel bekeek zag ik overal rode bultjes. Honderden afscheidskussen van jou.’

Omkering van de werkelijkheid

Venhuizens onbevangenheid en vindingrijkheid, maar ook haar vlotte manier van formuleren, doen denken aan Midas Dekkers. De teksten staan vol met geestige taalvondsten. Zo slaat ze, omdat de huisvlieg en daas een pagina moeten delen, ‘even twee vliegen in één klap’. En vermakelijk is de verwarring rondom de huisstofmijt, die Venhuizen lang als ‘huisstofmeid’ beschouwde: ‘een piekkleine schoonmaakster’ voor de kamerhoeken en plankenkieren. Totdat ze ontdekte dat het beestje van nog geen halve millimeter mensen juist niesbuien en tranende ogen bezorgt en helemaal niet netjes is.

Zoals Venhuizen schrijft, tekent Van der Pol: verhalend, verbeeldingsvol en cartoonesk. De vernuftige omkering van de werkelijkheid, met insecten als reuzen en mini-mensen die er als mieren omheen krioelen, sluit prachtig aan bij Venhuizens pleidooi het insectenleven vanuit een meer ecologisch perspectief te benaderen. De figuurtjes verbeelden een bepaalde insectenkarakteristiek en verbinden bovendien knap de paginagrote prenten met elkaar. Zo zie je bij het lieveheersbeestje het in een oranje overall gestoken mannetje van de opruimdienst met een rood-zwart stippenschild en bladluis aan zijn zwaardpunt afgebeeld. Bij de eikenprocessierups toont Van der Pol het mannetje met een eikendopje in plaats van een helm op zijn hoofd, en een schaar waarmee hij de rupshaartjes heeft afgeknipt die een branderig gevoel veroorzaken.

Nuttige kakkerlakken

Aldus kom je op speelse wijze van alles te weten over die rotbeesten. Dat de pissebed een ver familielid van de krab en kreeft is en kieuwen heeft. Dat de duizendpoot maar vijftien paar poten heeft. En de kakkerlak stofjes bevat waarvan antibiotica kan worden gemaakt. Jammer is wel dat door de ludieke vorm van Rotbeesten het ecologische nut niet altijd duidelijk wordt. Juist bij de wesp staat niet dat hij als veelvraat allerlei hinderlijke insecten op natuurlijke wijze opruimt. ‘We hadden best vriendinnen kunnen worden’, schrijft Venhuizen. Maar het ‘prikkelbare karakter’ maakt dat dat er voorlopig niet inzit. Het blijft dus oppassen voor de wesp.

    • Mirjam Noorduijn