Recensie

Tom Lanoye wordt zestig en krijgt een grabbeltonboek

Dit boek brengt Lanoyes schrijverschap in kaart. Vol schatten – maar soms voelt de niet-kenner zich als in een museum zonder bordjes.

Een ‘briljant poseur’ wordt de 25-jarige Tom Lanoye genoemd door een recensent die in 1984 Lanoyes literair cabaretprogramma bezoekt en zijn dubbelzinnige oordeel er even stevig in wrijft: ‘Zonder, zoals gezegd, ook maar één gevoelige snaar bij ondergetekende te raken, weet hij, een klein anderhalf uur lang, zichzelf op een uitermate overtuigende manier te etaleren.’

De uitgeknipte recensie is een van de schatten die opgediept zijn voor het gelimiteerde feestboek Lanoye 60. Groepsportret met brilletje, voor de zestigste verjaardag van de Vlaamse schrijver, aanstaande maandag. Lanoye (1958) stuurde zijn archief op naar zijn vaste redacteur, journaliste Anni van Landeghem, en vaste vormgever Dooreman, waaruit zij een grabbeltonboek mochten samenstellen. Plaatjes, knipsels, prozafragmenten en losse stukken zetten zij bijeen, om zo, losjes en zonder veel pretentie, het schrijverschap van Lanoye in kaart te brengen.

Je stuit daarin op het geestige eerste interview met Lanoye, in 1981, dat de lotgevallen van een beginnend schrijver aardig weergeeft: tussen de boude uitspraken van de hemelbestormende dichter door, probeert de journalist spellingswijzen van Lanoyes naam uit (hij schrijft Delanoy, Delannoy, Lanoy en Lannoy, nooit Lanoye). Ook mooi is de dienstbare beantwoording van 17 geïnteresseerde vragen van een scholier, anno 1990, die onder meer wil weten wat de Vlaming denkt van de uitspraak ‘If it doesn’t kill you… it will make you strong’. Lanoye schrijft: ‘Ze is te mooi om waar te zijn. Probeer bijvoorbeeld nooit een fles ammoniak leeg te drinken. It won’t kill you, maar sterker word je er niet van.’ Je vindt ook vurige speeches, brieven en opiniestukken, die Lanoyes maatschappelijke betrokkenheid tonen.

Daar staat ook wat irritatie tegenover, over het kokette proza van Van Landeghem over haar eigen rol, over het veelvuldig ontbreken van fotobijschriften en over de geringe moeite die de samenstellers zich getroostten om context te bieden bij de archiefstukken. Wie Lanoyes leven niet van dichtbij meemaakte, dwaalt soms door het boek als door een museum zonder bordjes. Dat versterkt onbedoeld de voort-etterende kritische opvatting van Lanoye als poseur: veel buitenkant, veel retoriek, maar wat zit er nou ónder?

Als de pose wegvalt is Lanoye op z’n best, zo bewees zijn mooiste roman Sprakeloos en zo bewijst in dit boek het lange interview dat hij in 1989 zijn ouders afnam, en opschreef in beeldende details en ongekunstelde bewoordingen. Dat raakte bij ondergetekende een gevoelige snaar.

    • Thomas de Veen