Opinie

    • Marjoleine de Vos

Religie moet iets onredelijks hebben

In de laatste serie ‘Kijken in de ziel’ ondervroeg Coen Verbraak religieuze leiders. Ze zijn het over niet veel eens, constateert . Maandag is de slot-aflevering.

Wat bedoelen gelovigen als ze over God spreken? Het is misschien wel de vraag die bij buitenstaanders het meest leeft en Coen Verbraak vroeg er dan ook naar in de heel interessante laatste serie Kijken in de ziel met ‘religieuze leiders’.

In zes afleveringen, waarvan maandagavond de laatste te zien is, sprak hij met twee boeddhisten, een pandit (hindoepriester); twee imams, twee rabbijnen, twee katholieken en drie predikanten uit de protestants christelijke hoek. Hij vroeg niet ‘Hoe ziet u God?’ maar ‘Bestaat God?’ Die formulering blijkt meteen al lastig. „Bestaan, bestaan…” zei de ene boeddhist. „God is een concept,” zei de andere. „God is niet érgens,” antwoordden zowel de pandit als de opperrabijn. „Als ik wist wie God was zou ik hem in mijn zak hebben. Dat zou een kleine god zijn”, zei de ene imam. De andere haalde Meister Eckhart aan die gelovigen verweet dat ze doen alsof ze weten waarover ze spreken als ze het over God hebben.

Alleen de christenen (behalve de vrijzinnige predikant) hadden voorstellingen van ‘een oudere en wijzere persoonlijkheid’, een ‘gezicht als op de lijkwade van Turijn’, ‘een man’. Zo’n god op een wolk en met een menselijk gezicht, lijkt ook eerder de god die je dingen kunt vragen – of verwijten – dan de veel ongrijpbaarder instantie van de anderen. Coen Verbraak zei, over de Shoah sprekend, tegen de opperrabbijn dat de vraag „Waar was God toen?” toch wel gerechtvaardigd is. „Nee!” zei de rabbijn. „Die vraag is helemaal niet gerechtvaardigd!” Men moet dan immers eerst al de voorstelling hebben dat God best in zou kunnen grijpen als Hij dat maar wilde. De liberale rabbijn vroeg: „En waar ligt de grens dan? Moet er bij honderd mensen wel ingegrepen worden? Bij tien? Bij één?”

Natuurlijk gaan de christenen evenmin zeggen dat God het toen af heeft laten weten. „God huilt aan de kant met ons mee”, zei de bevindelijke dominee. „God wil ook niet dat die dingen gebeuren.” Maar die laatste formulering is nu juist weer zo ongelukkig, want wat wíl God en wat niet en hoe weten we dat?

Uit de heilige schrift natuurlijk. „Daar staan geen fouten in,” zei de opperrabbijn, maar gelukkig staat er wel zoveel in dat iedereen er wetten uit kan destilleren.

Vrije denkers

Zoals gebruikelijk kwamen de vrijere denkers het minst uit de verf; hoe minder dogma’s en zekerheden men te bieden heeft, hoe minder de overwegingen de moeite waard lijken voor de televisie. Dat is jammer, maar niet helemaal onbegrijpelijk, omdat het soms erg moeilijk is om duidelijk te maken waar het religieuze element dan zit. Misschien móet er juist wel iets onredelijks zitten in religie, iets dat letterlijk buiten de rede valt, wil men er iets aan beleven. En hoe onredelijker de uitlatingen, hoe duidelijker het is dat het om religie gaat. Zou het zoiets zijn?

Natuurlijk ging het ook over de kwesties waarover we gelovigen graag de duimschroeven aanleggen: abortus, euthanasie, homoseksualiteit. De hulpbisschop en de katholieke zuster reageren zoals verwacht: abortus is nooit toegestaan. Ook niet als het leven van de moeder in gevaar is. De overweging dat het misschien beter is één leven te redden dan twee verloren te laten gaan kwam niet bij hen op – het redden van het ene leven zou immers een doodzonde betekenen want dan moet het andere leven afgebroken worden.

Toch, hoezeer je het er ook mee oneens kunt zijn, als het over de beschermwaardigheid van het leven gaat, bestaan er nu eenmaal veel ingewikkelde en soms tegenstrijdige gevoelens bij bijna iedereen. Het beschermen van het menselijk leven is een cruciaal punt in elke beschaving en daar wordt niet voor niets veel over gesproken, ook door seculieren.

Dat ligt anders bij homoseksualiteit. Eigenlijk zijn daar de afwijzende religieuze reacties veel onverdraaglijker. Mensen zijn nu eenmaal óók homoseksueel. En welk heilig principe wordt hier beschermd? De voortplanting? „Ze moeten niet gaan lóbbyen!” riep de rabbijn. De katholieken wisten ook op dat punt niet van wijken, ‘tegennatuurlijk’, dat woord wilde de hulpbisschop best tot het zijne maken.

Lees ook: ‘God is laat met chemo’s’

Hoe God te dienen

Hoezeer iedereen ook spreekt over ‘God’, er is geen overeenstemming over wat dat betekent, en evenmin over hoe die God te dienen, met welk gedrag (in de meeste religies gaat het vooral daarom) of welk geloof. Dat bleek ook uit de antwoorden op de vraag: „Zou u willen dat iedereen uw geloofsovertuiging had?”

Niemand greep die vraag aan om te zeggen wat hij of zij belangrijk vond in het eigen geloof. Integendeel, bijna allen zeiden dat hun soort mensen geen betere soort was. Vermoedelijk, dat schemerde zo af en toe wel door, vinden de meesten dat ze zelf in hun geloof met vallen en opstaan hun weg zoeken. Dan kun je moeilijk zeggen dat de wereld er erg op vooruit zou gaan als iedereen zo deed. Alleen de hulp-bisschop aarzelde geen seconde. „Geweldig!”, schaterde hij. „Tuurlijk! Het beste geloof!” Hij meende het uit de grond van zijn hart.

    • Marjoleine de Vos