Opinie

opsporing

Een nationale DNA-databank is een nachtmerrie

De doorbraak in de moordzaak-Nicky Verstappen uit 1998 deze week wakkerde de discussie over DNA als ‘magisch’ opsporingsmiddel weer aan. Dankzij een match tussen destijds aangetroffen biologische sporen bij het slachtoffer en het DNA van de inmiddels 55-jarige Jos B. De man weigerde mee te doen aan een vrijwillig DNA-buurtonderzoek en is inmiddels onvindbaar. Daarmee heeft hij de schijn tegen, maar ook niet meer dan dat. Er kan ook ontlastend bewijs zijn. Niemand die het weet totdat het onderzoek is voltooid, het proces is gevoerd en de rechter heeft gesproken. Maar er is beweging en dus alvast opluchting. De nabestaanden hebben enig uitzicht op genoegdoening, op afsluiting – en Nederland leeft collectief mee.

Net als bij de moord op Marianne Vaatstra, de Posbankmoorden, de zaak Van der Dussen en de zaak Milica van Doorn spreekt succesvolle DNA-analyse enorm tot de verbeelding. Die is dan ook een grote stap voorwaarts, mits zorgvuldig en proportioneel toegepast. Media openden echter onmiddellijk de rituele discussie over een ‘nationale DNA -databank’ waarin dan meteen maar alle burgers genetisch herleidbaar moeten zijn voor politie en justitie. Zo ontstaat een kolossale DNA-databank met de erfelijke gegevens van alle 17.248.000 Nederlanders. Iedereen is dan onderzoeksobject, in ieder opsporingsonderzoek.

Behalve dat zoiets logistiek en financieel vermoedelijk een ramp is, zijn er vele inhoudelijke bezwaren. Er blijft niets over van het recht om geen belastend bewijs tegen zichzelf of bloedverwanten te hoeven leveren. Ook het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het recht op de onaantastbaarheid van het lichaam worden een farce. Maar vooral het idee dat iedere burger steeds tegenover het gezag zijn eventueel aangetroffen DNA-sporen moet kunnen verantwoorden, stuit tegen de borst. Waarom dan ook niet voor alle auto’s een alcoholslot? Of iedereen een enkelband met peilbaken? Of liever nog, een op afstand uitleesbare chip-implant?

Bestrijding van criminaliteit is belangrijk, maar daar hoeft niet àlles voor te wijken. De paradox is bovendien dat de successen tot nu toe voortkwamen uit zorgvuldige, relatief kleinschalig onderzoek. De roep om voortaan ieders DNA te registreren kan niet daaruit voortvloeien.

Nationale DNA bevolkingsdatabanken horen thuis in slechte sciencefiction over totalitaire staten, waar controle over alle burgers alleen een kwestie van organisatie of technologie is. Die is overigens dichterbij dan gedacht. Het vorige kabinet stelde in de Wet Zeggenschap Lichaamsmateriaal voor om justitie bij ernstige misdrijven de database met celmateriaal, dat overblijft na geneeskundige behandeling te mogen raadplegen, zónder toestemming van de patiënt. In deze zogeheten biobanken is materiaal van 14 miljoen personen te vinden. Die nationale DNA database staat dus al om de hoek.

Er moet dan ook rekening mee worden gehouden dat dit pleidooi een achterhoedegevecht is. Met dank aan een samenleving die zo naïef is om op de onverwoestbaarheid van de rechtsstaat te vertrouwen. Met een immer integere overheid voor wie een vrije pers, dito advocatuur en onafhankelijke rechtspraak vanzelf spreken. Waar bescherming van de burgers tegen de macht van de staat natuurlijk uitgangspunt is. Intussen laten Polen, Hongarije, Turkije, China, Rusland en zelfs de VS zien dat er juist sprake is van een rechtsstatelijke recessie, waar burgerrechten alles behalve vanzelfsprekend zijn.

Minister Grapperhaus (Justitie, CDA) hield het in deze DNA-nieuwscyclus vooralsnog bij een pleidooi om met elkaar een „discussie te durven voeren” over verplichte in plaats van vrijwillige deelname aan incidenteel DNA-bevolkingsonderzoek. Uiteraard is discussie welkom, maar hoe stelt het gezag zich de afnamedwang precies voor? Bij burgers die nergens van verdacht worden, maar alleen toevallig in de buurt wonen? Behalve science fiction is dat een nachtmerrie. Voor iedere burger die vrij wil zijn. En blijven.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.