Opinie

    • Michel Krielaars

Op zoek naar liefde op de puinhopen

Tijdens mijn imaginaire reis door het literaire zomerlandschap sloeg ik het nieuwste deeltje uit de Broekzakbibliotheek van uitgeverij Cossee open. Die Broekzakbibliotheek is voor elk type reiziger een geschenk. De boekjes zijn dun en klein en je kunt ze onderweg of in je boekenkast altijd wel ergens kwijt. Vandaar dat ik ze als een niet te missen ontdekking beschouw voor iedereen die nog niet aan het e-book is geraakt en, zoals ik, de voorkeur geeft aan een stapeltje door een kaft bijeengehouden bedrukt papier.

Na heerlijke deeltjes met werk van Jane Gardam, J.M. Coetzee en David Grossman is nu de bundel Liefde en puin verschenen met vijf korte, door Anne Folkertsma vertaalde verhalen van Hans Fallada (1893-1947).Treffender had de uitgever het niet kunnen verzinnen. Niet alleen laat het je het dagelijks bestaan in een door bommen en granaten verwoeste wereld zien, maar ook is het een ideale introductie tot de belevingswereld van een nog altijd actuele schrijver, wiens werk door de nazi’s verboden werd en die veel te jong aan zijn morfineverslaving overleed.

Evenals zijn landgenoot Siegfried Lenz schetst Fallada genadeloos de beklemmende sfeer waarin gewone Duitsers tijdens en kort na de val van het Derde Rijk leefden. Van die schurkenstaat restte na afloop van het Armageddon van 1945 bijna niets meer. De industrie en de steden waren verwoest, de machines en het vee in het door het Rode Leger bezette oosten van het land naar de Sovjet-Unie afgevoerd, in de ramen zat spaanplaat of karton in plaats van glas, voedsel was schaars. Iedereen ploegde stilzwijgend voort om temidden van het puin een nieuwe samenleving op te bouwen. Dat die wederopbouw, met steungeld van de Verenigde Staten, een succes is geweest, kun je nog altijd een wonder van doorzettingsvermogen en discipline noemen.

Fallada’s anti-helden proberen te herontdekken wat liefde, tederheid en menselijke waardigheid ook al weer betekenen. In het titelverhaal ‘Liefde en puin’ komt dat verlangen het beste tot uitdrukking. De eerste zin is al veelzeggend: ‘Soms vond ze het verschrikkelijk en soms was ze verontwaardigd dat de mensen in de metro zo kwaad naar hen keken omdat ze gelukkig waren.’ Je raadt het al: op de puinhopen van het Derde Rijk, waar velen door Hitler met schuld zijn beladen, is liefde verboden. Even later schrijft Fallada: ‘De oorlog was toch immers afgelopen, zouden ze dan nooit meer mogen lachen…? Het was gewoon ondraaglijk!’

Met die woorden zet hij het universele drama van een door velen gesteunde, maar overwonnen dictatuur neer. Schuldgevoel gepaard aan vernedering heeft alle levensvreugde uitgebannen. Liefde kent bijna niemand meer. Maar wat wil je ook. In naam van een ideologie zijn tientallen miljoenen onschuldige mensen vermoord, door bombardementen of honger omgekomen, aan het front gesneuveld of van huis en haard verdreven. Het verwoeste Duitsland is in vier bezettingszones opgedeeld.

In zo’n door schaamte getekende wereld lijkt het alsof iedereen alleen nog maar in het diepste geheim zijn verloren gevoelens en fatsoen kan proberen terug te vinden. In die zoektocht naar basale menselijke waarden schuilt Fallada’s grote kracht. En precies daarom leest zijn werk alsof het gisteren is geschreven.

    • Michel Krielaars