Met zijn roem groeide de wroeging bij Arthur Ashe

US Open 1968 Vijftig jaar geleden won Arthur Ashe de US Open, als eerste Afro-Amerikaanse man. Een terugblik op het jaar waarin de legendarische tennisser als activist opstond. „Hij stelde iedereen tevreden, behalve zichzelf.”

Een halve eeuw geleden won Arthur Ashe als eerste Afro-Amerikaanse man de US Open. Tien jaar nadat Althea Gibson kortstondig het vrouwentennis domineerde, doorbrak Ashe in 1968 het witte plafond bij de mannen na een bloedstollende finale tegen de Nederlander Tom Okker. Het was de eerste keer dat het Amerikaanse toernooi was opengesteld voor profs, maar amateurspeler Ashe stal de show. Het prijzengeld, 12.000 dollar, ging naar de semi-prof Okker. Ashe verwierf wereldfaam.

Johnnie Ashe herinnert zich nog goed hoe zijn vijf jaar oudere broer die zomer van 1968 sterker was dan ooit. Arthur diende als officier op de militaire academie West Point, maar genoot als toptennisser een soepel regime. Lichte arbeid, vaak verlof, veel tijd voor sport. „Fysiek was hij top”, zegt Johnnie (71) in een telefonisch gesprek. „Hij kon ineens ruim honderd kilo bankdrukken, eerder kwam-ie met die iele armpjes nooit verder dan tachtig.

Met die iele armpjes had Arthur Ashe het ver gebracht. Dankzij een spartaans trainingsregime in zijn thuisstaat Virginia sleepte hij een studiebeurs aan de UCLA in Californië binnen, van waaruit hij de top van de tenniswereld bestormde. Terwijl Johnnie als tiener twee jaar lang vecht in de jungle in Vietnam, breekt zijn broer door. Maar al die tijd, „drukte er iets zwaars op zijn geest”, zegt de jongste Ashe. Uit de brieven die Johnnie in die tijd ontvangt, proeft hij de worsteling van Arthur. „Hij voelde dat hij meer moest doen. Iets extra’s voor ons, as a people.”

In 1968 komt de activist Arthur Ashe tot wasdom. Vlak voor de US Open spraken de broers elkaar, Johnnie was teruggekeerd uit de oorlog. „Arthur zei: als ik dit toernooi win, heb ik echt een stem. Ik zei: ‘Je hebt allang een stem’. Maar als kampioen, zei hij, zullen mensen ook echt naar me luisteren.”

Arthur Ashe in actie op de US Open 1968. Foto Richard Meek/Sports Illustrated/Getty Images

Politiek bewustzijn

De timing van de US Open-zege in 1968 had een groot katalyserend effect. Ashe won later ook de Australian Open (1970) en Wimbledon (1975), maar deze titel in 1968 was de belangrijkste in zijn ontwikkeling tot gezaghebbende figuur. Die titel „lanceerde Arthur als celebrity op precies het goede moment”, zegt biograaf Raymond Arsenault aan de telefoon. Deze week verscheen van zijn hand de ruim 700 pagina's tellende biografie Arthur Ashe: A Life. „Juist toen Arthur zijn politiek bewustzijn ontwikkelde, zijn gedachten leerde articuleren, wilden mensen ook daadwerkelijk weten hoe hij dacht.” Zo werd Ashe de eerste sporter die uitgenodigd werd voor het interviewprogramma Face the Nation. „Zat hij daar, 25 jaar oud, voor een miljoenenpubliek.”

Ashe voerde later onvermoeid actie tegen apartheid in Zuid-Afrika, sprak zich onomwonden uit tegen de Vietnam-oorlog en liet zich steeds scherper uit over de behandeling van Afro-Amerikanen. „Ik ben de eerste om toe te geven dat ik laat ben”, zei hij in een interview naar aanleiding van zijn US Open-zege. Hij, 25 jaar nog maar, had „achterstallige betalingen” waaraan hij moest voldoen, vond hij.

De doorbraak van Ashe voltrok zich tegen de achtergrond van een in chaos vervallen, sterk gepolariseerde Amerikaanse samenleving. 1968 was het jaar van de Black Power-groet van twee zwarte atleten op de Olympische Spelen van Mexico, van de moordaanslagen op Martin Luther King jr. en Robert F. Kennedy. Vrienden die zeiden dat hij door te excelleren in die sportwereld al genoeg deed, overtuigden hem niet langer. ‘Terwijl het bloed vloeide in Birmingham, Memphis, Biloxi, speelde ik tennis. In smetteloos wit sloeg ik elegante slagen op perfect onderhouden banen in Californië, New York en Europa’, noteerde hij in zijn memoires.

Ashe overleed in 1993 aan de gevolgen van aids, opgelopen toen hij als hartpatiënt tijdens een bypassoperatie tien jaar daarvoor werd geïnjecteerd met besmet bloed. Hij werd 49. Hij was humanist, intellectueel, tennisser, schrijver. Ashe zette zich in voor beter onderwijs en sportfaciliteiten in verpauperde Amerikaanse binnensteden, later ook voor aids-bewustzijn. Overal waar hij van nut kon zijn, soms ten koste van zichzelf. Een van zijn laatste publieke optredens is typerend, volgens Arsenault. Ashe, toen een uitgemergeld aidspatiënt, werd een paar maanden voor zijn dood gearresteerd bij een protest bij het Witte Huis tegen de behandeling van Haïtiaanse vluchtelingen. „Hij stelde iedereen tevreden”, zegt Arsenault. „Behalve zichzelf. Tot zijn dood voelde hij: ik moet nog meer doen.”

Jim Crow-wetten

Arthur Ashe (1943) groeide op in gesegregeerd Richmond, de stad die tachtig jaar voor zijn geboorte hoofdstad was van de Confederatie van Zuidelijke Staten tijdens de Burgeroorlog. Hij was vertrouwd met alledaagse discriminatie onder het juk van de racistische Jim Crow-wetten, die tot ver na de Tweede Wereldoorlog Afro-Amerikanen in zuidelijke staten tot tweederangsburgers degradeerden.

In huize Ashe, moeder overleed toen Arthur jr. zes was en Johnnie één, conditioneerde vader Arthur sr. zijn jongens van kinds af om het witte gezag niet te tarten. Arthur leerde tennissen in het park waar zijn vader beheerder was, de luxueuze banen elders in de stad waren verboden terrein voor zwarten. Later kon hij zich kapot ergeren aan witte Richmonders die hem aanklampten en zeiden: ‘Hé, ik heb je als jongen zien spelen in Byrd Park.’ Onmogelijk, aangezien het daar whites only was in Arthurs jeugd.

De vernederingen in de overheersend witte tenniswereld waren niet systematisch, wel talrijk. Op een jeugdtoernooi in Maryland in 1960 trof Ashe in de finale een trainingsmaatje, ook een donkere jongen. Prompt werd de prijsuitreiking geannuleerd, de bekers waren op een bankje achtergelaten. Een maand later werd hij op een toernooi in West Virginia valselijk beschuldigd van diefstal.

Tegenpool van Muhammad Ali

Ashe maakte geen misbaar, verhief zijn stem niet. Hij formuleerde bedachtzaam, was beleefd. Ashe hield zijn morele verontwaardiging lange tijd ‘diep verborgen onder zijn zorgvuldig aangemeten afstandelijkheid jegens de hartstochten van die tijd’, schrijft Arsenault. In veel opzichten was hij de tegenpool van de buitenissige bokser Muhammad Ali, al was er wel groot respect tussen de kampioenen.

Arthur Ashe met de Nederlander Tom Okker na hun vijfsetter in de finale van de US Open 1968. Foto Walter Kelleher/Getty Images

Ashe spiegelde zich in die tijd aan bokser Joe Louis en de eerste zwarte profhonkballer Jackie Robinson, die baanbrekend waren om wat ze deden – minder om wat ze zeiden. Zoals Louis ooit zei: ‘Ik draag bij op mijn manier: door me te gedragen.’ Ashe kon zich daarin vinden. Als dat hem een ‘Oom Tom’ zou maken – de benaming voor lijdzame Afro-Amerikanen die bogen voor het witte establishment – ‘dan prima’. Hij twijfelde openlijk aan de effectiviteit van de burgerrechtenbeweging die thuis door zijn vader ‘civil rights mess’ werd genoemd. ‘We rammen onszelf door de strot bij mensen’, schreef Ashe in zijn eerste boekje uit 1967, Advantage Ashe.

Hij zou die teksten later betreuren. Naïef, ondoordacht. Zijn gedachten evolueerden zich in die tijd sneller dan hij zelf kon bijhouden. Maar in 1968 vond Ashe zijn toon, zijn stem. King jr. schreef hem in februari dat jaar een brief. ‘Je uitmuntendheid in de sportwereld geeft je autoriteit en een verantwoordelijkheid’. schreef hij. ‘Het zou bemoedigend zijn als je deze deugden wilt inzetten voor the movement’. De brief, een van de meest dierbare bezittingen van Ashe, besluit met een open uitnodiging van King om elkaar te ontmoeten.

Het zou er nooit van komen; twee maanden later werd King doodgeschoten.

Schaamte

Ashe voelde met terugwerkende kracht een ‘brandend gevoel van schaamte’ dat hij niet aan de frontlinie van de burgerrechtenbeweging had gestaan. Niet zij aan zij had gereden met de Freedom Riders die in de jaren zestig met doodsverachting het diepe Zuiden introkken. ‘Met mijn roem’, blikte hij terug in zijn memoires, ‘groeide ook mijn wroeging.’

Dat voorjaar van 1968 had Ashe in een kerkgenootschap van een bevriende dominee zijn eerste toespraak gegeven. Hij was, zei hij, zijn eigen zwarte identiteit aan het vormen en gestopt met amechtig onderdeel willen worden van de witte maatschappij. De intellectuele nieuwsgierigheid van Ashe en zijn kalme toon zouden hem tot een morele autoriteit maken. „Maar het waren wel de psychedelische, schizofrene jaren zestig”, sprak Ashe later. „Je kon de held van gematigde progressieven zijn, een nigger in de ogen van witte reactionairen en tegelijkertijd voor zwarte revolutionairen ‘Oom Tom’.”

Johnnie Ashe (links) in 1977 op het huwelijk van zijn broer Arthur. Foto Frank Leonardo/Getty Images

Ashe bleef in die heftigheid dicht bij zichzelf, zegt zijn broer Johnnie nu. „Hij deed het op zijn manier. Hij was geen schreeuwer, maar hij was wel geëngageerd. Als ik aan hem denk, denk ik aan zijn sierlijkheid, zijn waardigheid”, zegt hij. „En zijn mildgestemde ziel.”

Jaren later zou blijken dat Johnnie zich vrijwillig voor zijn tweede uitzending naar Vietnam had aangemeld, om zo zeker te stellen dat zijn broer niet hoefde. Hoewel het volgens biograaf Arsenault vrijwel zeker is dat Arthur sowieso niet naar Vietnam uitgezonden zou worden, ondanks de aanzwellende Amerikaanse troepenmacht in Zuidoost-Azië toen, vond Johnnie dat hij dit moest doen. „Ik wilde niet dat hij gekweld werd door een mogelijke tour in Vietnam. Daarvoor had hij een veel te grote toekomst voor zich.”

Een „voetnoot in het leven van Arthur”, noemt Johnnie zijn eigen daad. Zoals Arthur Ashe ooit zei: ‘Ware heldhaftigheid is opvallend sober, heel onspectaculair. Het gaat niet om het voorbijstreven van iedereen ten koste van alles, maar om het dienen van anderen tegen welke prijs dan ook.’

„Zo is het”, zegt Johnnie Ashe.

    • Bart Hinke