‘Heb jij een vriendin?’ vraagt Bartel

Grunberg in het verpleegtehuis #5 Schrijver Arnon Grunberg verblijft 14 dagen in een Vlaams verpleegtehuis en schrijft daar dagelijks over.

Beeldbewerking NRC

„Prinses! Koningin! Schat! Hartedief? Lieverd? Beer? Lief? Lieve knuffelbeer? Lief dier?” Zo begint een handgeschreven liefdesbrief die Bartel, 67 jaar, me overhandigt. Hij heeft weelderige grijze haren, draagt een korte broek en sandalen. „Ze denken vaak dat ik Jood ben, want zo zie ik eruit,” zegt Bartel.

„Ik vind je op Gérard Depardieu lijken”, antwoord ik. „Voor wie is de liefdesbrief?”

„Voor niemand. Het is een monoloog. Maar ik wacht op een goede componist om hem op muziek te zetten. Ik ben wel verliefd op Saïda, ze komt uit Marokko maar ze woont al haar hele leven in België. Ze heeft een vriend, dat respecteer ik.”

Saïda is ‘zorgkundige’ op de afdeling voor mensen met een psychische kwetsbaarheid waar Bartel verblijft.

„Waarom ben je hier?” vraag ik.

„Ik ben ziek sinds de dood van mijn vrouw op 11 juni 2016. Ik kreeg een berichtje van mijn dochter op mijn mobieltje: ‘Mama is overleden.’ Meer niet. Mijn dochter heeft dat goed verwerkt, beter dan ik.”

Bartel neemt me mee naar zijn kamer waar twee enorme geluidsboxen staan. De tv staat aan, hij zet Ramses Shaffy keihard op, zodat het geluid van de tv overstemd wordt. Daarna laat hij me kunstwerken zien die hij in Zuiderlicht heeft gemaakt, abstracte schilderijtjes. Op zijn bureau staan twee grote foto’s van zijn overleden ouders, een fotootje van zijn vrouw en een foto van zijn dochter als baby die op de blote buik van haar vader ligt.

„Heb jij een vriendin?” vraagt Bartel.

„Ja”, zeg ik.

„Mag ik die eens zien?” vraagt hij. „Jij wil toch ook mijn dochter ontmoeten?”

In de middag gaan we met één vrijwilliger, Carlos, twee hulpverleners en vier bewoners naar het SMAK, het museum voor moderne kunst in Gent.

Bie, een dame van in de veertig, agoge en kunstenares, heeft een speciaal programma gemaakt voor dementerenden. De dementerenden wordt gevraagd te reageren op een kunstwerk, van de reacties maakt Bie een gedicht. De reacties variëren van „ik zal blij zijn als ik buiten ben” tot „zonsopgang” en „een grote ruimte voor zo weinig kunstwerken”.

Bartel is tevreden, maar François, een kunstfotograaf die op dezelfde afdeling woont, zegt: „Het was niets, ik kan dat beter. Die kunstenaars doen alles voor geld.”

Miskend maar blijmoedig loopt François naast me. In zijn ogen zie ik dat hij weet dat er ooit rechtvaardigheid zal komen, als niet vóór dan wel na de dood.

(Wordt vervolgd)