Recensie

Estors zoete melodieën strooien zand in je ogen

Twee helften van een stadsplan sandwichen de gedichten in Niemandslandnacht, de nieuwe bundel van Annemarie Estor (1973). In ruim dertig gedichten, tezamen een ‘crime-poem’, wordt een familiedrama ontrafeld in de verscheurde stad Orb-e-Grout. Orb is een moderne en technologisch geavanceerde polis, Grout de sloppenwijk rondom. Tussen beide delen bestaat geen verkeer, zo luidt het officiële verhaal. Eigenlijk is de grens flinterdun, zo ervaart protagonist Pili.

Een onschuldige vraag brengt haar in Grout, waar ze onbekende familieleden ontmoet, onder wie haar broer Vito, het invalide hulpje van een groenteboer. Hij heeft echter een kleine rol in deze detective, terwijl Pili’s ouders en zijzelf rollen vervullen die ze niet had kunnen vermoeden. De uiteengereten familie wijst op iets groters, zeker wanneer duidelijk wordt dat Grout niet alleen in metaforische zin de stort van Orb is en de stadsdelen door duistere zaken tot elkaar veroordeeld zijn: ‘Wij vinden wel vaker van alles / ergens daar op de stort bij de stadsmuur, / de hoop met het ziekenhuisvullis, / de dump voor het medische afval: / [...] / en zo zagen wij opeens een lichtje liggen / op het nog niet ingedroogde slijm.’

Waarom zou Estor voor haar detective juist de poëtische vorm gekozen hebben? Ze schrijft in vrij vers, maar die vorm lijkt haar narratieve gedichten niet dwingend te structureren. Het antwoord moet Estors stijl zijn. Die is als altijd voluptueus en overdadig, haar zoete melodieën liggen prettig in het gehoor. Maar in Niemandslandnacht heeft die stijl een tegengesteld effect: hoe meer details Estor opdist, des te groter de onduidelijkheid. Ze strooien de lezer vooral zand in de ogen. Niet alles is even scherp te krijgen, ideaal voor een mysterie. Als Pili voor het eerst buiten Orb komt, aanschouwt ze een spooklandschap. Filmisch en nevelig dicht Estor: ‘Dan ontwaar ik onderin een leegstaand flatgebouw / ronde ruggen onder grijze paardendekens: / rijen mensen die te slapen klitten, / groepjes slapelozen bij een vuurtje van vuilnis, / carbidverlichte kramen met onduidelijke waren, / lege broeken, knieënde knoken, hebberige ogen.’

Vanzelfsprekend moet het in Grout blijven misten, terwijl Orb blinkt als een diamant in de modder. De tegenstelling tussen Orb en Grout is uitermate gefixeerd. Ik meen dat er nog iets is dat daaraan bijdraagt. Wanneer Pili in de buurt van fakir Rafraf en Douz is, worden die opgefleurd met oosterse elementen. Bij hen betreedt ze ‘een India op kousen’. Douz is een oudere dame met neusbel, sari, hangbuik en vervaarlijke nagels. Tot deze personages blijven deze exotische karakteriseringen beperkt, maar ze zijn hoe dan ook verbonden met andere kwalificaties van Grout, zoals ‘achterbakse slums’ en ‘nachtkant van de norm’. Dat strookt met de manier waarop het uitheemse altijd met het verpauperde en het primitieve aaneengesmeed is, maar is het nog gepast zo stereotyperend te werk te gaan?

Estor maakt vrijelijk en productief gebruik van sciencefiction en fantasy. Bieden die niet genoeg mogelijkheden om alternatieve werkelijkheden te vormen zonder in al te gemakkelijke tegenstellingen te vervallen? En laten we vóóral de haast onbegrensde verbeeldingskracht van poëzie niet vergeten.

    • Obe Alkema