Eerst vis, dan het toetje, dan weer vis

Grunberg in het verpleegtehuis #4

Schrijver Arnon Grunberg verblijft veertien dagen en nachten in een Vlaams verpleegtehuis, als patiënt en verpleger. Hij schrijft daar dagelijks over.

Beeldbewerking NRC

Vanjuschka vraagt of ik haar wil opmaken. Haar make-up zit in een plastic doos waarin ook geraspte worteltjes hadden kunnen zitten. Ze heeft Germaanse talen gestudeerd, ze is 49. Vanjuschka draagt een beige rok en een truitje dat aan kleding van het merk Missoni herinnert, felle kleuren, streepjes. Haar haren zijn warrig, ze draagt een bril.

„Ik ben er niet zo goed in,” zeg ik, „waarmee moet ik beginnen?”

„Met rouge.”

Ze was getrouwd met een Iraniër, Ahmed, zij zegt dat ze nog steeds met hem getrouwd is. Ze gaf les aan anderstaligen, zo hebben ze elkaar ontmoet. Vanjuschka praat moeilijk.

Na de rouge komt de foundation. „Hoe moet ik het opsmeren?” vraag ik.

„Met je vinger”, zegt ze.

Er zitten plekjes op haar huid die door de foundation benadrukt worden.

„Vanmiddag komen mijn ouders. Wil je ze ontmoeten?”

„Zeker”, antwoord ik.

Ik vraag aan haar medebewoners wat ze van mij als grimeur vinden. Ze zijn tevreden. Vanjuschka stelt voor om samen naar de cavia’s te gaan.

Op de afdeling voor psychisch kwetsbaren wonen twee cavia’s, Prudence en Constance. Vanjuschka neemt ze op schoot.

„Van welke cavia hou je het meest?” vraag ik.

„Allebei”, zegt ze.

Rond het lunchuur verschijnen haar ouders. Ze gaan in de cafetaria zitten. Haar vader is in de 80 en doceerde op een school in Deinze, haar moeder is 73. De vader heeft een baardje, de moeder draagt een spijkerjasje zonder mouwen.

„Het begon in 2015 met een zware depressie”, vertelt de moeder. „Ze kwam weer bij ons wonen. De psychiater die haar behandelde zei: ‘Ze spreekt niet meer.’ Daarop kreeg ze logopedie. Haar man heeft haar mishandeld, hij deed niets, alleen zijn eigen kleren waste hij.”

„Nee”, zegt Vanjuschka.

„Ze had geen weerstand door de stress.”

Vanjuschka eet haar warme lunch in een originele volgorde. Eerst vis en aardappelen, dan haar toetje, chocolademousse, dan gaat ze verder met vis.

„Het is één uur,” zegt Vanjuschka, „mag ik mijn cola-light?”

„Ontremming hoort bij de ziekte,” vertelt haar moeder, „als we er geen stokje voor zouden steken zou ze zich doodroken.”

„Anita,” zegt de vader tegen zijn vrouw, „Anita, eet!”

„Nee,” antwoordt Anita kortaf, „dit moet Arnon weten.”

Anita zegt: „We wisten niet of we haar Vanjuschka zouden noemen of Johanna, maar we lazen veel Russische literatuur, dus werd het Vanjuschka.”

„Eet!” roept de vader. Hij lijkt nu tot doodslag in staat.

(Wordt vervolgd)