Een revolutie die vele eeuwen duurde

Renaissance

In een meesterwerk maakt de Duitse historicus Bernd Roeck duidelijk dat de Renaissance geen breuk was maar een samenspel van ontwikkelingen die al eeuwen gaande waren.

Wie denkt dat het verlangen naar one-liners en simpele antwoorden op complexe vragen iets van de laatste decennia is, geeft blijk van een gering historisch besef. Niettemin sta je af en toe toch versteld van het succes van boeken die het ontstaan van de moderne wereld heel precies weten te lokaliseren en er zelfs een jaartal op durven plakken.

Volgens Tom Holland, in zijn Millennium (2008), is de ‘moderniteit’ het onbedoelde gevolg van het conflict tussen paus Gregorius VII en keizer Hendrik IV in 1076. In The Swerve (2011) stelt literatuurcriticus Stephen Greenblatt daarentegen dat het allemaal begon in 1417, toen de Italiaanse humanist Poggio Bracciolini een compleet manuscript van Lucretius’ De rerum natura ontdekte en hiermee de atoomleer van Epicurus en het filosofisch materialisme (her)introduceerde. En vorig jaar nog verkondigde Alec Ryrie in The Protestants dat het een eeuw later Maarten Luther was geweest, die de aftrap had gegeven door zijn 95 stellingen op de deur van de Slotkapel van Wittenberg te spijkeren. Overigens was het laatste boek een oase van bedachtzaamheid en nuanceringen vergeleken bij de twee andere, maar het laat wel zien hoezeer auteurs (en niet te vergeten uitgevers) erop gebrand zijn om een min of meer eenduidig antwoord te geven op de vraag hoe wij, althans ‘het Westen’, zijn geworden wie we zijn.

Gezien het succes van dit soort boeken zijn er genoeg lezers die hiermee genoegen nemen, maar wie op zijn klompen aanvoelt dat dergelijke ‘verklaringen’ veel te simpel zijn en bereid is zich meer moeite te getroosten, heeft veel meer aan Der Morgen der Welt, van de Duitse (in Zürich docerende) historicus Bernd Roeck (1953).

De ondertitel van zijn even meesterlijke als dikke boek – Geschichte der Renaissance – geeft aan dat we hier te maken hebben met een geschiedenis van de renaissance, maar anders dan bijvoorbeeld de grote Jacob Burckhardt, in diens baanbrekende en nog altijd invloedrijke Die Kultur der Renaissance in Italien (1860), laat Roeck deze epoche niet beginnen in de veertiende eeuw. En bovendien is zijn aanpak niet alleen veel breder, maar is zijn visie op de renaissance fundamenteel anders.

Samenspel

Burckhardt (1818-1897) zag de renaissance als een radicale en tamelijk snelle breuk met de middeleeuwen. Na eeuwen van kerkelijke dominantie en feodalisme werd het – vooral door de herontdekking van de kunst en de kennis van de klassieke Oudheid – mogelijk om op ‘objectieve’ wijze naar de staat en alle wereldse aangelegenheden te kijken, terwijl tegelijkertijd ‘het subjectieve’ zich met volle kracht aandiende: ‘De mens werd een geestelijk individu en erkende zichzelf als zodanig.’ Met dit individualisme, en met het min of meer gelijktijdig ontstaan van de natiestaat en het prille kapitalisme, brak volgens Burckhardt de moderne tijd aan.

Bij Roeck is de renaissance geen radicale en abrupte breuk, maar ligt de nadruk op het samenspel van allerlei ontwikkelingen – klimatologisch, demografisch, religieus, sociaal-economisch en politiek – die vaak al eeuwen gaande waren. Bovendien besteedt hij uitgebreid aandacht aan de wisselwerking tussen Europa en de byzantijnse en islamitische beschavingen.

De kennis van de Oudheid was nooit helemaal weggeweest, maar vanaf de twaalfde eeuw nam de herontdekking van en oriëntatie op klassieke teksten snel toe. Aanvankelijk waren het vooral juristen in Noord-Italië die zich op Romeinse teksten stortten, wat hand in hand ging met het geleidelijk ontstaan van een lekencultuur en de oprichting van universiteiten.

Naast juridische teksten werden al snel ook literaire en filosofische teksten herontdekt, waarbij vooral de klassieke retorica zeer invloedrijk zou blijken, terwijl via Byzantium en de Arabische wereld ook het natuurwetenschappelijke denken van de Grieken opnieuw geïntroduceerd werd. In dit kader heeft bijvoorbeeld het denken van Epicurus – waar Greenblatt dus een heel nummer van maakte – zeker een rol gespeeld.

De renaissance was echter veel meer dan de herontdekking van de klassieke erfenis, laat staan dat het louter een imitatie was van de kunst en het denken uit de Oudheid. Door ver terug te gaan in de tijd – pas op blz. 344 zijn we in het jaar 1300 aanbeland – is Roeck in staat te laten zien hoe in wat hij ‘Latijns-Europa’ noemt een Möglichkeitsraum ontstond waarin kennis, ideeën, technische vaardigheden, en artistieke verworvenheden zich steeds sneller konden verspreiden en hierdoor voortdurend vernieuwd werden. Allerlei uitvindingen en ontdekkingen waren ook elders, en vaak al veel eerder gedaan, en Roeck verwijst dan ook regelmatig naar de bloei van kunsten en wetenschappen in de islamitische wereld, China, India en bij de Azteken. Dat waren stuk voor stuk hoog ontwikkelde beschavingen, die echter na verloop van tijd in verval raakten.

Technische innovaties

Doordat Europa dankzij het Latijn in cultureel en religieus opzicht in hoge mate een eenheid was, terwijl de politieke fragmentatie ervoor zorgde dat staten en stadstaatjes elkaar beconcurreerden en denkers en doeners die in de problemen kwamen vaak elders emplooi vonden, ontstond hier iets dat Roeck ‘het grote gesprek’ noemt. Een gesprek dat door de uitvinding van de boekdrukkunst rond 1450 tot dan toe ongekende proporties aannam.

In deze communicatiegemeenschap speelde de antieke erfenis een belangrijke rol – het was een schatkamer waar iedereen uit kon putten, ook omdat veel teksten werden vertaald in de volkstalen – maar het was vooral de intensieve uitwisseling van kennis en ideeën die al snel leidde tot razendsnelle innovaties op het gebied van de techniek, economie en cultuur. Juist allerlei technische vindingen bleken op den duur ongekende mogelijkheden in zich te bergen. De uitvinding van de bril in de dertiende eeuw – op basis van Arabische teksten van enkele eeuwen eerder – leidde er niet alleen toe dat geleerden, overheidsdienaren en boekhouders veel langer konden blijven werken, maar resulteerde uiteindelijk ook in de ontwikkeling van de telescoop en microscoop, zonder welke de latere Wetenschappelijke Revolutie ondenkbaar was geweest.

Volgens Roeck werd ergens in de zeventiende eeuw een punt bereikt waarop de klassieke Oudheid nog wel een referentiekader was – denk aan het in deze tijd opkomende classicisme – maar waarin de kennis en inzichten van de oude Grieken en Romeinen geen vernieuwende rol meer speelden. Dankzij de Wetenschappelijke Revolutie en de nieuwe filosofie was het Europese denken inmiddels veel verder en kwam het werelddeel ook in technisch en sociaal-economisch opzicht in een totaal andere fase terecht. Om die reden laat Roeck de renaissance, die begonnen was in de twaalfde eeuw, eindigen in de zeventiende eeuw – al benadrukt hij ook hier de geleidelijke overgang en hoedt hij zich voor de categorische uitspraken waartoe veel bestsellerauteurs zich laten verleiden.

    • Rob Hartmans