Recensie

De Nobelprijswinnaar was in 1902 nog niet geliefd

Natuurkunde

Nobelprijswinnaars Lorentz en Zeeman werden in 1902 weinig feestelijk onthaald, blijkt uit hun gebundelde brieven.

Postzegel die in Zweden verscheen ter gelegenheid van de Nobelprijs voor de Natuurkunde in 1902. Getty Images/iStockphoto

‘Hooggeachte professor’, schreef Pieter Zeeman op 30 juni 1897 op een briefkaart. De 32-jarige Zeeman, docent natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam, zat die laat-negentiende-eeuwse zomer in Groningen. Hij had er proeven uitgevoerd met meetapparatuur die hij in zijn Amsterdamse lab niet had: ‘Het zal u aangenaam zijn te vernemen dat ik daar juist de volledige triplet bij de blauwe lijn van CD bij een zeer sterk veld (30.000) heb waargenomen. (…) Alles in schoone overeenstemming met Uwe theorie.’

Het kaartje was bestemd voor Hendrik Antoon Lorentz, de onder vakgenoten vermaarde hoogleraar theoretische natuurkunde uit Leiden. Lorentz’ voormalige assistent Zeeman had laten zien hoe een sterk magnetisch veld het licht beïnvloedt dat onder bepaalde omstandigheden wordt uitgezonden door bijvoorbeeld natrium- of cadmiumatomen. Natriumatomen zenden in zo’n sterk veld twee tinten oranje uit in plaats van één, terwijl voor cadmium één scherp gedefinieerde blauwe kleur zelfs in drie blauwtinten (triplet) uiteen bleek te vallen. En dat ‘Zeeman-effect’ , dat Lorentz dus zo mooi kon verklaren, zou hen in 1902 de Nobelprijs voor Natuurkunde bezorgen.

Wat is het leuk om daarover terug te lezen in de brieven die nu door Anne Kox, emeritus-hoogleraar geschiedenis van de natuurkunde (Universiteit van Amsterdam), bijeengebracht zijn in deel twee van The Scientific Correspondence of H.A. Lorentz. Eerder verscheen al een boek met brieven aan Lorentz’ buitenlandse correspondenten. Dit deel bevat brieven aan en van Nederlandse collega’s; vooral geselecteerd op grond van hun hard-wetenschappelijke inhoud (voor de liefhebber!), maar met intussen ook fraaie details over het wetenschappelijk bedrijf.

Eurekamomenten

‘Amice’, schreef Lorentz op 7 juli 1897 aan Zeeman terug. ‘Ik dank u zeer voor uwe mededeeling (…) en ik mag u waarlijk wel eens met den goeden uitslag van Uw verder onderzoek gelukwenschen.’ En met wat een rust en kalmte zetten Lorentz en Zeeman vervolgens – na een prettige vakantie in respectievelijk Holzhausen en ‘de uitspanning Warnsborn bij Arnhem’ – hun werk aan het effect weer voort. Zelfs de mededeling, vijf jaar later, dat de twee er de Nobelprijs voor zouden krijgen, leidde niet tot welke uitzinnigheid dan ook. Laat staan dat Zeeman of Lorentz hun eurekamomenten, hun wetenschappelijke worstelingen of hun levensverhaal de wereld in slingerden.

‘Amice’, schreef Lorentz simpelweg aan Zeeman op 12 november 1902. ‘Gij zijt zeker even als ik, van ochtend verrast door een telegram uit S.’ Dat geheimhouding nog vereist was, hoefde henzelf er natuurlijk niet van te weerhouden ‘elkander’ te ‘gelukwenschen’, vervolgde hij en hij stelde voor ‘de reis [naar Stockholm voor de uitreiking] met ons vieren [te] doen’. Als Zeemans vrouw ook mee zou gaan, dan hadden ‘de dames gezelschap aan elkander wanneer wij hen eens moeten verlaten’.

Er zou daarvan niets terechtkomen. Zeeman en zijn vrouw werden kort voor de met de Baedeker-gids en Europese spoorboekjes geplande reis allebei ziek en Zeeman moest zijn prijs dus later ophalen. Anders dan Lorentz kreeg hij over de bijbehorende som geld prompt aanslagen van de bedrijfs- en de gemeentebelasting, waar hij pas na juridische strijd onderuit kwam, zoals hij aan Lorentz schreef: ‘Onwillekeurig maakt men een vergelijking tusschen de wijze waarop hier door de officieele wereld (zelfs van geen der curatoren [van de Universiteit van Amsterdam] ontving ik een kaartje) den Nobelprijs wordt opgevat, en die waarop in Frankrijk die tijding als een nationale triomf wordt ervaren’. Daar waren Pierre en Marie Curie en Henri Becquerel in 1903 als Nobelprijswinnaars met eer overladen. We moeten maar bedenken, antwoordde Lorentz troostend, dat het ‘Fransche temperament nu eenmaal anders is dan het Hollandsche en dat dit laatste ook vele lichtzijden heeft’.

Wat is er veel veranderd in dat Hollandsche temperament; in het omgaan met Nobelprijzen; met tijd en tijdsdruk in het onderzoek; in de wijze van communiceren.

En bij lezing van deze zorgvuldig samengestelde bundel vol voetnoten vraag je je óók af: hoe zullen mensen later een weg kunnen vinden in allerlei e-mails, tweets en preprints die her en der op dan allicht supergedateerde servers staan?

    • Margriet van der Heijden