Opinie

Dan ook subsidie voor islamkritische kunst

Het gaat de Rijkscultuurfondsen om etnische diversiteit en niet om een gezonde mix aan inzichten, vrezen en .

Een muurschildering van Shepard Fairey. The Garage, Harvard Square, Boston

Diversiteit wordt niet langer uitzondering maar regel, betoogden de directeuren van zes Rijkscultuurfondsen en Unesco woensdag in NRC. Kennelijk is het aanbod in hun ogen te monocultureel (lees: te blank). Volgens de kunstpausen is nu de tijd gekomen om via subsidies voorrang te geven aan ‘andere culturele verhalen’. Kortom, minder Wagner voor Oud-Zuid, meer vluchtelingendrama in het kansenwijktheater.

Lees ook: Diversiteit kunst dwingen wij vanaf nu af met subsidie

De brief getuigt van een beperkt historisch bewustzijn en een gebrekkig inzicht in de beperkte maakbaarheid van de moraal.

Eerst over het historisch bewustzijn. De Nederlandse cultuursector staat al decennia in het teken van diversiteit. Ook de doelstelling om cultuurparticipatie onder minderheden te bevorderen is niets nieuws.

De cultuurnota’s van Nuis (1996) en Van der Ploeg (1999) gingen zelfs verder in hun ambitie: „In het licht van de ontwikkeling van Nederland als multiculturele samenleving behoeft het kwaliteitsbegrip dat wordt gehanteerd bij het beoordelen van aanvragen aanpassing.” Om dat te bereiken stelde men zelfs strafkortingen voor.

Diversiteit is inmiddels al zo lang de norm in cultuurbeleid dat jongere generaties niet eens met andere ideologie in aanraking zijn geweest. Ideologie, inderdaad, omdat diversiteit een politiek maakbaarheidsgeloof betreft. Hoewel er geen aanwijzing is dat maatschappelijke diversiteit maakbaar is langs de weg van beloning en straf van culturele initiatieven. Het schamele resultaat is hooguit dat instellingen naarstig op zoek gaan naar methodes om het multiculturele gehalte van hun producties op te krikken om geen geld mis te lopen. Het is geen publiek geheim dat zij hun inhoud ontwerpen aan de hand van subsidiecriteria. De dood in de pot voor artistieke eigenzinnigheid en schadelijk voor de autonomie en de vrije meningsuiting.

In het hoofdcommentaar (‘Ruggengraat’, 23/09/1996) op de nota van Nuis stelde NRC: „Culturele afscherming en afsluiting (… ) zijn het product van historische omstandigheden en economische krachten. Daar liggen de aangrijpingspunten voor beleid. Wie het kunst- en cultuurbeleid opzadelt met doelstellingen die op deze kwesties zijn toegesneden (…) laadt de verdenking op zich gratis te willen winkelen in de supermarkt van de nobele doelen.”

Bovendien kunnen we ons ook afvragen wat er precies met diversiteit in deze context bedoeld wordt. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de ondertekenaars vooral doelen op etnische diversiteit, en niet zozeer op diversiteit aan inzichten. Valt bijvoorbeeld ook islamkritische kunst hieronder? En wat denken van het kunstkritiekplatform Keeping It Real Art Critics (Kirac), van wie eerder dit jaar een bijeenkomst op de Gerrit Rietveld Academie werd afgelast omdat de Academie liever „een veilige omgeving” wilde waarborgen dan kunstkritiek de vrije ruimte te geven.

Zolang dit vraagstuk systematisch alleen van één kant wordt belicht, verwordt diversiteit tot een politieke ideologie die juist voedingsbodem geeft aan polarisatie.