Cultuurvorser die met verve vertelde over vroeger

Hermann von der Dunk (1928-2018)

Hermann von der Dunk onderzocht de geschiedenis van cultuur en ideeën. Met een kritisch oog voor zijn eigen vak.

Hermann von der Dunk was emeritus-hoogleraar contemporaine geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Foto Marco Bakker/Lumen

„Historici zijn hekkensluiters. Ze komen aan bod als anderen hun werk hebben gedaan.” Aldus de woensdag overleden historicus Hermann von der Dunk in zijn magnum opus De verdwijnende hemel. Over de cultuur van Europa in de twintigste eeuw (2000). H.W. von der Dunk was een begenadigd verteller die het hek met graagte sloot – en als het kon, met een stevig handgebaar.

Met het overlijden van Von der Dunk verliest de Nederlandse geschiedschrijving, na de dood van H.L. Wesseling, binnen een week opnieuw een vooraanstaand publiek intellectueel. Von der Dunk liet zich graag interviewen over de actualiteit – tot de verkiezing van Trump en Brexit aan toe – en publiceerde voor een breed publiek in dagbladen, waarbij hij de lezer vol verve meenam in zijn betoog zonder voor hem op de hurken te gaan zitten.

Von der Dunk dacht zijn hele leven na over de aard van zijn vak, zoals begin jaren zeventig in een erudiete reeks essays in de NRC. Daaruit bleek dat hij zich zorgen maakte over het verdwijnen van het persoonlijk verhaal uit de geschiedenis. „Er dreigt een scheuring te ontstaan tussen structuralisten, die net doen alsof de historie alleen uit anonieme machten bestaat en het brede publiek, dat niet ten onrechte het gevoel heeft, dat de dingen in het leven tenslotte door mensen worden gedaan en beslist. En het publiek zal dan, omdat de anti-individualistische vakhistorici het op z’n droogje laten, dorstig grijpen naar werken, waarin men kan lezen, dat Hitler maar één testikel had en graag slagroom nuttigde.”

Goede geschiedschrijving, aldus Von der Dunk, liet zien dat mensen geschiedenis maakten, maar dat zij niet alleen door hun karakter, maar ook door maatschappelijke krachten werden gevormd.

Ook in latere geschriften uitte hij zich kritisch over de ontwikkelingen binnen zijn vakgebied. Rond de eeuwwisseling constateerde hij dat de geschiedwetenschap „een uitdijend wisselvallig landschap liet zien tussen de uitersten van een introvert discours tussen specialisten en de op succesvolle reclame mikkende, liefst met boude stellingen imponerende vakvirtuoos voor velen.”

Hermann Walther von der Dunk werd in 1928 in Bonn geboren. Het gezin vluchtte in 1937 uit Duitsland omdat zijn moeder Joods was. Zijn vader kreeg een baan als docent op de Werkplaats Kindergemeenschap in Bilthoven, de school van onderwijsvernieuwer Kees Boeke. Von der Dunk ging daar als leerling heen, en ontwikkelde er onder meer zijn liefde voor het toneelspel. Hij uitte later wel enige bedenkingen over de school, waar alles in overleg gebeurde. Hij deed er een afkeer op van vergaderen, vanwege „het soms warrige geleuter” dat „indachtig het nobele gelijkheidsbeginsel geduldig moest worden aangehoord”.

“Bij een land dat een soort vennootschap is geworden met verwaarlozing van zijn eigen culturele substantie, valt er voor nieuwkomers niet veel te integreren”

Von der Dunk studeerde geschiedenis bij de beroemde historicus Pieter Geijl en promoveerde in 1966 aan de Universiteit Utrecht op de dissertatie Der Deutsche Vormärz und Belgien, 1830-1848. Een jaar later werd hij er hoogleraar contemporaine en cultuurgeschiedenis.

Dat was in een tijd dat er nog niet zo veel vergaderd werd, maar de verzakelijking van het universitaire milieu zorgde ervoor dat Von der Dunk in 1990 met vervroegd emeritaat ging. Zijn stijl en onderwerpskeuze – persoonlijk en essayistisch, met een sterke nadruk op cultuur- en ideeëngeschiedenis – kwamen buiten de academie goed tot hun recht.

Von der Dunks aandacht ging onder meer uit naar de maatschappelijke gevolgen van de stormachtige technologische vooruitgang van de afgelopen eeuw. In zijn boek over de holocaust Voorbij de verboden drempel (1990) noemt hij de moord op zes miljoen Joden het „meest indringende voorbeeld van het vermogen van de mens om juist in de moderne tijd, tegelijk met de technische en wetenschappelijke grenzen eveneens morele te overschrijden.”

De voortschrijdende technologie en „het dictaat van ratio en getal”, zoals Von der Dunk het in De verdwijnende hemel noemt, leidt daarnaast ook tot een „infantiele” en „sentimentele cultuur” waaruit „het heimwee spreekt naar de verloren zekerheden van het kindersprookje die het geloof niet langer biedt”.

In zijn laatste boek De wereld als getal (2016) stelt Von der Dunk dat het ontbreken van een wezenlijke, gedeelde geschiedenis de maatschappij in deze tijden van mondialisering lelijk kan opbreken. „Bij een land dat een soort vennootschap is geworden met verwaarlozing van zijn eigen culturele substantie, valt er voor nieuwkomers niet veel te integreren.”

    • Bart Funnekotter