Wervelende biografie van een stadhouder in roerige tijden

Geschiedenis

Het leven van stadhouder Willem IV kende never a dull moment. Historicus Fred Jagtenberg beschrijft zijn overvolle leven spannend als de geschiedenis zelf. Het is alsof je er bij bent: een ultieme prestatie voor een historicus

Willem IV, studiokopie naar Johann Valentin Tischbein, 1751 Illustratie uit besproken boek/Paleis Het Loo

Over de achttiende eeuw verscheen de laatste jaren een vloed aan biografieën en historiewerken, met name over de patriottentijd (grofweg vanaf 1775). Het eeuwdeel daarvoor lag nog steeds braak. Nu is de splinternieuwe biografie van historicus Fred Jagtenberg verschenen: Willem IV. Stadhouder in roerige tijden. 1711-1751. Jagtenberg beschrijft het leven van de prins en diens tijd zo ongeveer van dag tot dag. Zijn meer dan grondige boek telt krap duizend pagina’s. Een uitdaging voor de lezer. Redden we dat?

Roerig inderdaad, de achttiende eeuwse tijden. Ingewikkeld ook voor de 21ste-eeuwer. Alleen al het staatsbestel. Wij zijn gewend aan Nederland als natie (koninkrijk), maar dat zou het pas in 1815 worden. Daarvoor is het een federaal weefwerk van gewesten, min of meer zelfstandige provincies die worden bestuurd door doorgaans adellijke regenten. Hier en daar bestaan zelfs nog resten van het middeleeuwse leenstelsel.

Centraal in de unie staan de Staten-Generaal, met Holland als rijkste en machtigste gewest, en een ‘raadpensionaris’ als een soort minister-president. De stadhouder is slechts ‘kapitein-generaal’, militair opperbevelhebber en dienaar van de Staten-Generaal. Deze functie is doorgaans door de Nassaus vervuld, een familie die van oudsher naar het koningschap streefde. De ‘staatsgezinden’ hebben daar vaak een stokje voor gestoken, getuige twee ‘stadhouderloze tijdperken’. Afzonderlijke Staten hadden ook een eigen stadhouder. Zo kon Willem IV stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe zijn, zonder dit van de Unie te zijn.

De Nassaus kwamen in 1530 in het bezit van het prinsdom Orange, en Willem de Zwijger mocht zich prins van Oranje noemen. Deze titel was erfelijk, en tot en met stadhouder Willem III ging dat goed. Met diens dood ontstonden problemen. Er waren maar liefst drie pretendenten: Koning George van Engeland, koning Frederik van Pruisen, en de Friese Nassau Johan Willem Friso (en na diens vroege verdrinkingsdood in het Hollands Diep diens zoon Willem IV).

200 Amsterdamse doden

Volgen we het nog? Ik zei al dat het ingewikkeld was. Voor Willem IV was het dat trouwens ook. Een deel van zijn enorme werkdruk werd veroorzaakt door beslommeringen rondom de erfenis van Willem III en de daarmee de Oranje-titelkwestie. Aan het (naar later zou blijken liefdevolle) huwelijk met de Engelse koningsdochter Anna van Hannover gingen twaalf jaar aan onderhandelingen vooraf, evenmin verre van eenvoudig.

De roerige achttiende eeuw. De economie van de Nederlandse gewesten verpietert, niet in de laatste plaats door aanhoudende oorlogsinspanningen. Het veroveringszuchtige Frankrijk onder Lodewijk XIV en later naamgenoot XV rukt voortdurend naar het Noorden op. Als de Fransen in 1747 na een desastreus bombardement de vesting Bergen op Zoom innemen, staat het volk op, roept om Oranje (na eindeloos gesteggel heeft de prins de Oranje-titel intussen weten te bemachtigen) en Willem IV wordt stadhouder van alle Staten.

Lees ook: In Holland regeert het geld alles en iedereen

Dat het volk in opstand komt tegen de oppermachtige regenten is niet slechts aan de oorlog te wijten. Men zucht onder de belastingen, mede door eindeloze corruptie bij de inners daarvan. In 1748 nemen de Fransen Maastricht in, hetzelfde jaar breekt in verschillende steden het Pachtersoproer uit. Er vallen doden: in Amsterdam meer dan 200. Willem IV reist stad en land af om de revolte niet in een revolutie te doen ontaarden. Dit lijkt hem aanvankelijk te lukken, maar zijn hervorming blijken slechts cosmetisch. Want werkelijke politieke vernieuwingen, zo meent Willem, ‘dat zou beginnen te lijken op een democratie, de ergste van alle regeeringen.’

Tussen alle bedrijven door doet hij grote moeite zijn vrouw en moeder Marie Louise niet te verwaarlozen, hij laat een bibliotheek en een kunstcollectie aanleggen, bezoekt toneel en concerten, bemoeit zich met tal van benoemingen, probeert naast zijn persoonlijke, moeizame financiën zijn netwerk op peil te houden, en zijn vele buitenlandse bezittingen te beheren.

Botplekken

Dan zijn er nog eindeloze reeksen audiënties, een berg correspondentie (overladen met complimenten, veel schrijfwerk). De neiging alles zelf te willen doen helpt niet mee. Moeder en eega maken zich zorgen om zijn gezondheid. Begrijpelijk. Willem IV was van jongsaf fysiek beslist geen Hercules. Op zijn zesde was hij bij de val van een paard slecht terechtgekomen. Als hij na een zoveelste bezoek aan de geneeskrachtige baden zal overlijden, wijst sectie een binnenwaarts gebogen sleutelbeen uit, een ‘ingekromde’ ruggengraat (hij had een bocheltje) en zeer dunne botplekken in de hersenpan.

Bont, gruwelijk, spannend als de geschiedenis zelf. Het is alsof je er bij bent: een ultieme prestatie voor een historicus

Biograaf Jagtenberg noemt de macht die Willem IV had weten te verwerven ‘bijna koninklijk’. Dit mag gezien de omstandigheden een wonder heten. Topjaar 1747, ‘annus mirabilis’ noemt Jagtenberg het. Mooi, klaar, denkt de lezer. Een (glimlachende, sympathieke, slimme) succes-Oranje, die Willem. Maar hij moet dan nog vier hoofdpijnjaren, de complicaties houden maar niet op. Een roerig leven in roerige tijden. Never a dull moment.

Fred Jagtenberg noemt Willem een typische rococo-vorst. Rococo staat in de kunstgeschiedenis voor een overmaat aan tierlantijnen en uitbundige drukte. Als je er naar kijkt is de blik meteen overvol. Dat laatste geldt ook voor deze biografie. Alle verwikkelingen worden door de biograaf tot op het bot uitgebeend, vandaar de omvang van Jagtenbergs boek. Hier en daar leidt dit tot de reactie: een onsje minder mag wel, een pondje minder ook geen bezwaar.

En toch blijf je lezen. Jagtenbergs stijl is kalm, uitgesproken helder, kleurrijk, hij weet citaten virtuoos in zijn eigen woorden te incorporeren, heeft oog voor de kleine (maar ook fijne) anekdotes, en uit het meticuleuze vlechtwerk van zijn opmerkelijk rijke materiaal (de archieven moeten uitpuilen) komt een helder beeld tevoorschijn van zowel Willem IV als diens tijd. Indrukwekkend in Jagtenbergs Willem-biografie is bijvoorbeeld de beschrijving van het Pachtersoproer, of die van de fanatieke homoseksuelenjacht op het Groningse platteland rond 1730. Bont, gruwelijk, spannend als de geschiedenis zelf. Het is alsof je er bij bent: een ultieme prestatie voor een historicus. En de lezer? We slaan met onze laatste krachten pagina 967 om, en denken: als we tijd van leven hebben gaan we alles nog eens rustig overlezen.

    • Atte Jongstra