Hij had een weerzin tegen modieuze benaderingen

H.L. Wesseling 1937- 2018 Het oeuvre van Henk Wesseling, de meest gelezen Nederlandse historicus van zijn tijd, was wars van anachronistische geschiedsbenadering en modieuze opvattingen. Precies dat maakt het zo onmisbaar in deze tijd van activisme.

Foto: Merlijn Doomernik

‘Hoogleraar worden doe je voor je moeder’, heeft de zaterdag op 81-jarige leeftijd overleden historicus Henk Wesseling gezegd. Het was een van de vele relativerende, raillerende uitspraken die de in 1937 geboren Wesseling, ook bekend als ‘H.L.’ of ‘Henri’, deed over zijn loopbaan en leven.

Hij was er min of meer bij toeval ingerold, in die geschiedwetenschap, en smaakte zijn leven lang het genoegen betaald te worden voor lezen en schrijven – wie zou dat niet willen?

Schijn bedriegt. Valse bescheidenheid nog meer. Deze zichzelf lui noemende man was een van de meest gelezen Nederlandse historici van zijn tijd. Met schijnbare nonchalance bouwde hij daarnaast een uitgebreid netwerk in binnen- en buitenland op. Zijn ontegenzeggelijke bonhomie en generositeit, waarbij de goede tafel en dito wijnfles niet werden geschuwd, waren daarvoor handige instrumenten maar ze waren niet gespeeld: generaties studenten en jonge wetenschappers heeft hij op weg geholpen.

Zijn autobiografie, Zoon en vader – Vader en zoon, uit 2008, is zonder meer een van de merkwaardigste in dit genre: de Leidse historicus zet zijn leven af tegen dat van zijn vader, een in 1947 overleden links-katholieke politicus en journalist. Wesseling sr. was een politiek en sociaal gedreven man, en zijn leven rijk aan drama en mislukkingen. Zijn zoon daarentegen beschrijft, met de milde humor hem eigen, hoe hij zich, spelenderwijs bijna, heeft ontwikkeld tot een wetenschappelijk en maatschappelijk geacht en bekend man, die het – als mens en als historicus – in het leven prima naar zijn zin had.

Afkeer van vergaderen

Als historicus gevormd was hij aan de Leidse Universiteit in de jaren vijftig, toen de universitaire studie meer dan nu ontspannen spielerei leek. Hij was naar eigen zeggen ook geen briljant student. Maar B.W. Schaper, wiens leerstoel Algemene geschiedenis van de nieuwe tijd hij in 1973 zou overnemen, zag wat in hem en haalde hem in 1966 als wetenschappelijk medewerker naar Leiden. In 1969 promoveerde hij met Soldaat en krijger, een prachtig boek over de cultuuromslag in Frankrijk rond 1900 in de richting van militarisme.

Met de breed geëtaleerde luiheid en afkeer van vergaderen viel het in werkelijkheid reuze mee: hij bleef tot 2002 hoogleraar in Leiden en bekleedde, zij het met tegenzin, ook bestuurlijke functies in tijden van organisatorische- en bezuinigingsheisa. Met de hem eigen loyaliteit verdedigde hij kroonprins Willem-Alexander, die in Leiden in 1987 geschiedenis ging studeren en die hij begeleidde, tegen lafhartige critici die meenden te weten dat de prins niet zo’n licht was.

Lees hier de columns van H.L. Wesseling terug over kolonialisme, politiek en zijn persoonlijke leven: H.L. Wesseling: drie columns uit ons archief

Van 1995 tot 2002 combineerde hij het professoraat met het rectoraat van het destijds nog in een lommerrijk deel van Wassenaar gelegen NIAS, waar geleerden uit de gehele wereld in rust konden werken. Beslissend voor zijn carrière is vooral geweest dat hij, in Leiden, bijna twintig jaar leiding gaf aan het Instituut voor de geschiedenis van de Europese Expansie en de Reacties daarop (IGEER). Onder deze weidse benaming spon Wesseling een internationaal netwerk van geleerden en onderzoekers, dat congressen organiseerde en comparatieve studies over (de)kolonisatie het licht deed zien. Dankzij IGEER kon Wesseling ook zelf de vleugels uitslaan in het buitenland: hij bracht een jaar door aan Princeton, en verkeerde op voet van gelijkheid met het puikje der historici in zijn geliefde Frankrijk – zoals Fernand Braudel, een van de groten uit de Annales-school, en de door hem zeer bewonderde Henri Brunschwig.

Kolonialisme- en imperialisme-studies waren in de jaren tachtig ook bepaald een hip onderwerp in de historische wereld, een prachtige kapstok voor vernieuwende kwantitatieve- en lange-termijnstudies zoals die toen in de mode waren, en nu nog wel. Maar toen, na lang aandringen van zijn uitgever, in 1991 zijn lang verwachte boek over de opdeling van Afrika tussen 1880 en 1914 verscheen, wachtte menigeen in de internationale wereld van imperialisme-onderzoekers een verrassing. Want Verdeel en heers, zijn dikste boek overigens, is weliswaar heel leesbaar en gevuld met kostelijke anekdotes, maar wel een volstrekt conventionele politieke geschiedschrijving met veel aandacht voor het optreden van grote mannen. Ook met zijn conclusie, dat de door het imperialisme aangerichte schade in Afrika reuze meeviel en de hele episode voor Europa maar van gering belang is geweest, heeft hij niet alleen maar vrienden gemaakt.

Vrome overtuigingen

De consequente weerzin tegen vrome overtuigingen en modieuze benaderingen, die sommige critici voor bedaagdheid hielden, zou een constante blijven in Wesselings werk – zowel in zijn talrijke historische publicaties als in de honderden stukken van meer algemene aard die in NRC Handelsblad en Hollands Maandblad verschenen. Want schrijven ging hij steeds meer, en dan niet in de vorm van papers voor conferenties en artikelen in vaktijdschriften, zoals veel vakgenoten, maar bijna steeds voor een breed publiek. In dat opzicht spiegelde hij zich aan zijn illustere voorganger als Leids hoogleraar Johan Huizinga tijdens het interbellum – met wie hij trouwens een afkeer van het werk met archieven gemeen had. Die waren meestal gevestigd op ongezellige locaties, en van stoffige, oude papieren krijg je vieze handen.

Lees ook een interview met Wesseling over zijn boek Een Franse cultuur- en familiegeschiedenis: ‘Als ik niet schrijf, verveel ik me’

De studie van het kolonialisme moge Wesseling dan in de wereld vooruit hebben geholpen – zijn enige saaie boek is het op verzoek van een buitenlandse uitgever geschreven Europa’s koloniale eeuw – zijn historische, en ook algemeen-culturele liefde ging toch uit naar Frankrijk. Over dat land heeft hij talrijke bundels artikelen en monografieën het licht doen zien, zoals De man die nee zei, over De Gaulle. Hij smaakte het genoegen het Franse Legion d’honneur te ontvangen en in de pikorde van deze onderscheiding tweemaal te worden bevorderd. Toch is, in weerwil van alle charmante, ironische details, het oordeel over Frankrijk lang niet zoetsappig: hij schetst een natie die al sinds 1815 niet kan omgaan met het verlies van de status als machtigste Europese staat.

Zijn scepsis en afkeer van historische en andere druktemakers hebben Wesseling nooit verlaten en hij is daar wél bij gevaren – in dat opzicht was zijn leven het spiegelbeeld van dat van zijn vader. Wat historici kunnen, kan iedereen, heeft hij wel eens gezegd: een redelijke eruditie, brede interesse en kritische geesteshouding volstaan. Wesselings talrijke, dankbare lezers en studenten (zoals ik) weten wel beter.

    • Raymond van den Boogaard