Ruimer DNA afnemen? Met tegenzin dan

DNA-afname

Meer mogelijkheden om DNA van verdachten af te nemen – dat botst met de wet, de privacy en de capaciteit van het NFI. Maar stapsgewijs gebeurt het.

DNA-onderzoek bij het NFI Foto Niels Wenstedt/ANP

Moet DNA afstaan bij een oproep daartoe verplicht worden? Daarover wil minister van Justitie Ferdinand Grapperhaus (CDA) „in discussie” met de Tweede Kamer. Na de DNA-match in de zaak-Nicky Verstappen zei hij woensdag een debat te willen over ruimere DNA-afname „onder bepaalde omstandigheden”.

Die discussie is in zekere zin al bijna dertig jaar gaande. Grapperhaus’ voorgangers Van der Steur, Hirsch-Ballin, Donner, Sorgdrager en Korthals: ze bepleitten allemaal uitbreiding van DNA-gebruik in strafrechtelijk onderzoek.

DNA-onderzoek mag in Nederland sinds 1989 worden gebruikt in rechtszaken. En telkens weer botst de wil van justitie om een zaak op te lossen met de wettelijke bescherming van het individu tegen de staat. Zoals in 1991, toen een verdachte van een verkrachting in Kerkrade weigerde DNA af te staan. De Hoge Raad, de hoogste rechter in Nederland, gaf de man gelijk. Verplichte afname van DNA zou botsen met de grondwettelijk beschermde onaantastbaarheid van het lichaam. Daar mag alleen inbreuk op gemaakt worden als daar een wettelijke grondslag voor is.

Lees ook over de achterstand in genetische profielen: Profielen ruim 21.000 criminelen missen in dna-databank

Inbreuk op privacy

Dus die grondslag kwam er. Minister Ernst Hirsch Ballin (CDA) regelde in 1994 dat verdachten in zware moordzaken verplicht zijn DNA af te staan als daarom wordt gevraagd. De inbreuk op hun privacy moest wel „zo gering mogelijk” zijn. Minister Piet-Hein Donner (CDA) kwam in 2004 met een nieuwe wet: sindsdien zijn veroordeelden van zware misdrijven verplicht hun DNA af te staan voor een DNA-bank. Zijn opvolger, opnieuw Hirsch Ballin, verruimde die wet. En sinds 2012 is DNA-onderzoek toegestaan onder een grote groep mensen waar een mogelijke dader toe behoort . De grenzen van het wenselijke en wettelijke zijn zo steeds opgeschoven.

Het zijn altijd incidenten die de discussie aanwakkeren en tot verruiming leiden. Na de Kerkraadse verkrachter kwamen de eerste regels over DNA-afname. Die werden verruimd na de zaak van de Belgische kindermoordenaar Marc Dutroux. Later kwamen de grootschalige DNA-onderzoeken onder grote aantallen mogelijke daders, zoals in de zaak van Marianne Vaatstra en, dit jaar, Nicky Verstappen.

Vaak kwam er verruiming met tegenzin, zoals onder Korthals en Hirsch Ballin. Maar het gebeurde wél. De tegenzin komt deels door wettelijke beperkingen. Niemand hoeft mee te werken aan zijn eigen vervolging, is een grondregel in het recht. Maar als mensen gedwongen worden DNA af te geven, moeten ze dus wél meewerken, concludeerden Rotterdamse juristen in 2016. Bovendien hangt de grondwettelijke bescherming van de onaantastbaarheid van het lichaam boven elke discussie.

Tekorten aan geld

Er is ook een praktische beperking. Kan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) grote groei in DNA-afnames aan? Het kampt al jaren met te veel werk en tekorten aan geld en onderzoekers. Dit jaar kreeg het instituut 3 miljoen euro extra te besteden, op een begroting van 66 miljoen euro, en dat geld was eind april al op. Grapperhaus riep daarop politie en Openbaar Ministerie (OM) op terughoudend te zijn en „scherper te prioriteren” bij het opsturen van sporen voor NFI-onderzoek.

Is het grondrecht dat je niet hoeft mee te werken aan je eigen veroordeling bij DNA-afname in het geding? Lees een column van Folkert Jensma uit 2012.

Dit voorjaar bleek ook nog eens dat ruim 20.000 DNA-profielen van veroordeelden ontbreken in de databank van het NFI. In 2016 mankeerden er ‘slechts’ 10.000. De minister beloofde beterschap. In de huidige databank zitten zo’n 200.000 DNAprofielen, van veroordeelden en afkomstig van ‘plaatsen delict’ maar nog niet gekoppeld aan een persoon.

De lacune bij het NFI komt vooral doordat veel veroordeelden niet komen opdagen voor de afgesproken afgifte van hun DNA, concludeerde de commissie-Hoekstra in 2016. Die onderzocht de zaak van Bart van U., de man die in 2014 oud-minister Els Borst vermoordde en later ook zijn zus. Hij was eerder veroordeeld voor verboden wapenbezit, maar het OM vergat DNA bij hem af te nemen. Was dat wel gebeurd, concludeerde Hoekstra, die het falen van de overheid in de zaak onderzocht, dan was hij eerder als moordenaar van Borst in beeld gekomen en was de moord op zijn zus mogelijk voorkomen.

Handiger en efficiënter, aldus Hoekstra: voortaan bij alle verdachten van misdrijven DNA afnemen. Dat scheelt niet nagekomen afspraken, creëert een grotere database van DNA-profielen, en zou daarmee oplossing van misdrijven makkelijker maken.

Betere uitvoering

Toenmalig minister Ard van der Steur (VVD) omarmde het plan, maar nader onderzoek wees uit dat dit volgens Europees recht niet kon. Ook kreeg hij de Tweede Kamer niet achter zich. Een meerderheid wilde liever betere uitvoering van de bestaande regeling, voordat er weer een uitbreiding zou komen die de privacy verder zou beperken. Die betere uitvoering van de DNA-afname is niet gelukt, blijkt uit de jongste cijfers.

Grapperhaus suggereerde dit voorjaar al om ook DNA af te nemen van verdachten zonder vaste verblijfplaats. Later dit jaar, of begin volgend jaar, gaat hij verder in op de toekomst van DNA-onderzoek, in reactie op een evaluatie van de effectiviteit van verwantschapsonderzoek. In zijn woorden woensdag klonk alvast dezelfde terughoudendheid waarmee zijn voorgangers de wet verruimden.

Correctie (28-08-2018): in een eerdere versie van dit artikel stond dat minister minister Frits Korthals Altes in 1994 het wettelijk verplicht maakte om van verdachten in zware moordzaken DNA af te nemen. Dit moet zijn minister Ernst Hirsch Ballin. En het was minister Benk Korthals die de wet later verruimde.

    • Mark Lievisse Adriaanse