Recensie

H.L. Wesseling: drie columns

Lees hier drie columns van H.L. Wesseling terug over kolonialisme, politiek en zijn persoonlijke leven.

Professor Henk Wesseling, 1990, Foto: Katrien Mulder / Hollandse Hoogte

1. Rusland volgens Forsyth (14.1.1999)

De moord op de Russische parlementariër Galina Starovojtova heeft overal grote indruk gemaakt. Ook bij ons hebben de kranten er uitvoerig over bericht. Het bijzondere aan deze zaak, zo was de strekking van vele commentaren, was niet de moord zelf — die vinden in Rusland immers met de regelmaat van de klok plaats — en ook niet het feit dat een politicus werd vermoord, want daar zijn eveneens heel wat voorbeelden van te vinden. Maar die vermoorde politici waren doorgaans zelf ook betrokken bij duistere praktijken als afrekeningen en corruptiezaken. Het bijzondere aan deze moordaanslag was dat het hier ging om een algemeen gerespecteerd, integer, idealistisch politicus.

Politieke moorden komen in veel landen voor, ook in democratieën als India en Amerika. En als men zelfs de Amerikaanse president niet kan beschermen tegen een moordaanslag, dan kan dat natuurlijk ook niet met een Russisch parlementslid. Het verontrustende aan deze recente misdaad is dan ook iets anders, namelijk dat het een onderdeel lijkt te zijn van een zich ontwikkelend patroon, een volgende stap op de weg naar een dictatuur. Ook recente antisemitische uitlatingen passen in dit beeld. Hoe dat proces zou kunnen verlopen, is beschreven door een auteur aan wie men in dit verband niet direct zou denken, namelijk door de thrillerschrijver Frederick Forsyth.

Forsyth heeft zijn eersteling nooit overtroffen. Dat kan ook haast niet, want dat eerste boek, The Day of the Jackal, over een moordaanslag op De Gaulle, is een meesterwerk. Zijn latere boeken zijn wel aardig, maar toch niet van hetzelfde niveau. Deze situatie heeft voordelen voor de auteur, omdat men zijn boeken blijft kopen – er blijft tenslotte altijd hoop – maar nadelen voor de lezer, die meestal nogal teleurgesteld wordt als hij in het vooruitzicht van een lange vliegreis toch maar weer bij Forsyth afleiding zoekt. Dat deed ik onlangs, maar zelfs een lange vliegreis volstond niet om zijn laatste bestseller uit te lezen. Dat boek, Icon geheten, is dan ook 541 bladzijden dik — en ik moest ook nog de nieuwe film over Zorro zien.

Simpel verhaal

Het verhaal is tamelijk simpel. Het boek speelt in de nabije toekomst, namelijk in de zomer van 1999. De economische en sociale situatie van Rusland is dramatisch verslechterd. Een brood kost een miljoen roebel. De regering is in grote verwarring. De meest populaire politieke stroming is een rechts-extremistische partij, de Unie van Patriottische Krachten, die geleid wordt door Igor Komarov met behulp van een ex-KGB-kolonel die Komarovs privé-politie en terreureenheden onder zich heeft. Komarov is de laatste hoop van het volk en zal naar verwachting de komende verkiezingen gaan winnen. Hij spreekt in het openbaar op verstandige en gematigde wijze en wordt daarom door de wereldopinie niet als een gevaar beschouwd. Zijn werkelijke bedoelingen heeft hij echter neergelegd in een uiterst geheim document, waarvan slechts één kopie bestaat. Dit geheime programma komt neer op: herinvoering van de eenpartijstaat, herinrichting van de Goelag Archipel, herovering van de afgescheiden vroegere Sovjet-republieken, vervolging en uitroeiing van priesters, Joden, homoseksuelen en etnische minderheden et cetera.

Het geheime document raakt door toeval in Britse handen. De Britse regering weet er geen raad mee. De Amerikaanse ook niet. Een particulier gezelschap, dat enigszins lijkt op de Bilderberggroep, met leden als Bush, Kissinger, Margaret Thatcher en een aantal diplomaten en miljonairs, besluit de zaak dan maar zelf aan te pakken, en met succes. Eén enkele in Rusland geïnfiltreerde geheime agent weet geheel alleen het complot te ontmaskeren en de machtsovername te verijdelen.

Icon is bepaald geen meesterwerk.

Verbazingwekkend

Het boek komt moeizaam op gang en het is verbazingwekkend dat een zo ervaren thrillerschrijver als Forsyth de eerste vijftig bladzijden volstopt met welhaast encyclopedische informatie over de ontwikkelingen in Rusland onder en na Gorbatsjov. De gemiddelde lezer zal sterk geneigd zijn deze pagina’s te behandelen als natuurbeschrijvingen in negentiende-eeuwse romans. Het bijzondere aan dit boek is iets anders, namelijk dat Forsyth iets doet wat historici nooit zouden durven doen: een historische verklaring van gebeurtenissen uit het verleden extrapoleren en gebruiken om een toekomstige ontwikkeling te voorspellen. Het is immers maar al te duidelijk hoe Forsyth tot zijn scenario is gekomen. Hij heeft de opkomst van Hitler als voorbeeld genomen voor de toekomstige ontwikkelingen in Rusland.

Ieder school- of handboek beschrijft en verklaart het aan de macht komen van Hitler ongeveer als volgt: De nederlaag in de Eerste Wereldoorlog was voor Duitsland een grote klap. De militairen voelden zich door de politici in de steek gelaten. Zij vonden en zeiden dat Duitsland niet op het slagveld was verslagen, maar door de politici was verraden. Het leger, eens de trots van Duitsland, was verbitterd en de oud-strijders waren ontevreden. Het vredesverdrag van Versailles werd door velen als unfair en vernederend ervaren. Het eens zo trotse Duitsland was afgedaald tot de rang van een tweederangsmogendheid. De harde Franse politiek om tot iedere prijs de herstelbetalingen af te dwingen leidde tot een volstrekte financiële en economische chaos. Het geld was al spoedig niets meer waard. Een brood kostte een miljoen mark. Velen vervielen tot armoede. De middenklasse raakte ontworteld. Haar spaargelden gingen in rook op. Het vertrouwen in de democratie was voor goed geschokt. Met de economische crisis van 1929 stortte het stelsel definitief in. De werkloosheid steeg tot grote hoogte. Miljoenen mensen vervielen tot de bedelstaf. Het land leek in een uitzichtloze crisis te zijn terechtgekomen. In deze omstandigheden zochten velen hun heil bij een extremistische nationalistische leider, die beloofde alle problemen op te lossen: Hitler. Deze gaf de schuld van de ellende aan het buitenland en aan enkele zondebokken, in het bijzonder de joden. Hij beloofde rust en orde, welvaart en aanzien te zullen herstellen. Zijn aanhangers intimideerden hun tegenstanders en beheersten de straat. In deze sfeer van angst en wanhoop kozen velen voor Hitler, wiens ideeën en eisen aanvankelijk ook in het buitenland als redelijk werden beschouwd.

Schoolboek

Dit is, zoals gezegd, het verhaal dat je in ieder school- of handboek zal vinden en waar geen historicus bezwaar tegen zal maken. Hitler is hiermee ‘verklaard’. En inderdaad, wat kan men meer doen om deze gebeurtenissen te verklaren dan dit? Maar het opmerkelijke is dat geen historicus zal zeggen dat, als diezelfde omstandigheden zich opnieuw zullen voordoen, dat dan ook tot dezelfde gevolgen zal leiden. Verschijnsel B wordt dus verklaard door de aanwezigheid van verschijnsel A. Maar de aanwezigheid van A hoeft niet noodzakelijkerwijs te leiden tot de komst van B. In de natuurwetenschappen zal men zoiets wellicht raar vinden. In de geschiedenis is het echter heel gewoon. De situatie in Rusland nu lijkt veel op die in Duitsland in de jaren dertig: een verbitterd leger, een ontwortelde middenklasse, armoede, honger, nationale vernedering, anarchie, geweld, straatterreur, massale werkloosheid et cetera. Toch zal geen historicus durven voorspellen dat daarom nu ook in Rusland een racistische en nationaal-socialistische dictator aan de macht zal komen. Dat durft alleen een thrillerschrijver. In de zomer van dit jaar zullen wij weten of hij gelijk heeft gehad.

2. Slavernij (20.4.2000)

Er bestaan – of liever gezegd er bestonden – veel vormen van slavernij, maar bij het woord slavernij denken wij toch in de eerste plaats aan de slaven die werkten op de Amerikaanse en Caraïbische plantages. Ons beeld van de slavernij wordt immers nog altijd vooral bepaald door het beroemde boek van Harriet Beecher Stowe, Uncle Tom’s Cabin, in het Nederlands bekend als De negerhut van oom Tom. De avonturen van oom Tom en de schone Elisa hebben op velen een grote indruk gemaakt. Het boek, dat in 1850 als feuilleton en in 1852 in boekvorm is verschenen, heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de negentiende-eeuwse abolitionistische beweging, die ijverde voor de afschaffing van de slavernij.

Slavernij is echter een zeer gevarieerd en vrijwel universeel verschijnsel dat niet alleen in Amerika heeft bestaan, maar ook in Azië, Afrika en Europa. Voor wie bij het woord slaaf alleen maar denkt aan plantagearbeiders of galeislaven moet het vreemd zijn te bedenken dat er ook hele mooie slavencarrières hebben bestaan. In enkele delen van Afrika zijn er slaven geweest die het tot gouverneur of schatkistbewaarder hebben gebracht. Er was zelfs een slaaf die koning werd.

In sommige samenlevingen was de omvang van de slavernij uitzonderlijk groot. Zo zou volgens bepaalde schattingen India in de negentiende eeuw zo’n twintig miljoen slaven hebben gekend. Ook in Afrika kwam slavernij op grote schaal voor. Voor de koloniale heersers uit de negentiende eeuw schiep dit soms problemen. De Engelsen liepen voorop in de strijd voor de afschaffing van de slavernij. Zij schaften in 1833 de slavernij in hun koloniën af en gaven de achthonderdduizend slaven in hun West-Indische bezittingen de vrijheid. Maar dit betekende niet dat in Afrika en India nu ook terstond hetzelfde gebeurde. Officieel was de Engelse regering ook daar tegen de slavernij, maar in de praktijk liet zij de zaken vaak op hun beloop uit vrees dat anders de inheemse elites, van wier steun zij afhankelijk was, tegen het Engelse gezag in opstand zouden komen.

Franse revolutie

De Fransen schaften de slavernij ook af. Twee keer zelfs, eerst tijdens de Franse revolutie en later opnieuw en voorgoed na de revolutie van 1848. Ook dit betekende niet dat dit besluit overal in de praktijk werd gebracht. De Fransen vreesden, net als de Engelsen in India, voor een opstand van de Arabische bevolking in Algerije als de slavernij daar zou worden afgeschaft. Ook hier werd de slavernij dus officieel verboden, maar in feite oogluikend toegestaan. Het resultaat van dit alles is dat tot in de jaren vijftig van deze eeuw slavernij op grote schaal in Afrika voorkwam. In Mauretanië is de slavernij pas in 1980 afgeschaft. Een recent boek, Slavery and colonial rule in Africa, uitgegeven door S. Miers en M. Klein, geeft over dit onderwerp veel informatie.

De Europeanen werden in de negentiende eeuw de grote abolitionisten en zij waren erg trots op hun humanitaire en filantropische instelling. De bestrijding van de Arabische handel in Afrikaanse slaven kreeg daarom in de publieke opinie en propaganda veel aandacht. Die humanitaire afkeer van slavernij en slavenhandel was echter een nieuw verschijnsel. De Europeanen en met name de Fransen, Engelsen, Nederlanders en Portugezen hadden immers in de voorafgaande eeuwen op grote schaal de slavenhandel bedreven. De schattingen over de omvang van de Atlantische slavenhandel lopen uiteen, maar de meest algemeen aanvaarde schatting op dit moment is dat ruim elf miljoen slaven uit Afrika naar de Nieuwe Wereld zijn geëxporteerd. Meer dan een kwart van hen werd nog in de negentiende eeuw verscheept, hoewel Engeland al in 1808 de slavenhandel had afgeschaft en de strijd ertegen had aangebonden.

Omvangrijke handel

Deze omvangrijke handel was alleen mogelijk doordat het aanbod van slaven in Afrika zo groot was. De slavenhandel was er vóór de komst van de Europeanen al wijd verbreid. Wel staat vast dat de nieuwe Europese vraag het aanbod heeft gestimuleerd. Dat slavernij op zulke grote schaal in Afrika voorkwam, was mede een gevolg van het feit dat er geen particuliere grondeigendom bestond. De grond was gezamenlijk eigendom. De enige vorm van privé-bezit en de enige vorm van macht en gezag was derhalve het bezit van mensen. Een Afrikaanse vorst heerste niet over een grondgebied, maar over een groep mensen.

Europa is het enige werelddeel waar de slavernij al in de Middeleeuwen is afgeschaft. De christelijke leer achtte het onjuist om medechristenen tot slaaf te maken. Over de vraag hoe deze opvatting te rijmen viel met het feit dat andere mensen wel in slavernij werden gebracht, is heel wat gedebatteerd, ook in ons land. Maar het was en bleef een theoretische kwestie. In de praktijk werd de slavenhandel met overgave beoefend, vooral door Zeeuwen en Hollanders. Het pas verschenen boek van Piet Emmer over de Nederlandse slavenhandel gaat hier uitvoerig op in. Nederland was bovendien tamelijk laat met het afschaffen van de slavernij in de koloniën. Ons land deed dit pas in 1863. Toch waren wij hiermee nog niet de laatsten. Dat was Brazilië in 1888 (en in Europa Portugal, in 1878).

Discussie

In veel landen is thans een discussie gaande over de manier waarop met dit verleden moet worden omgegaan. In Amerika is gediscussieerd over de vraag of de Amerikaanse regering excuses moet aanbieden aan het zwarte deel van de bevolking voor het hun aangedane leed. In Frankrijk is in 1999 een wet aangenomen waarin onder andere staat dat er een commissie moet komen die voorstellen moet doen inzake de inrichting van ‘lieux et actions de mémoire’, die de herinnering aan de misdaad van de slavernij levend moeten houden. In het oorspronkelijke voorstel stond dat de commissie ook ‘les conditions de réparation’ moest onderzoeken, met andere woorden moest aangeven hoe de slachtoffers schadeloos gesteld konden worden. Maar dit kwam niet in de uiteindelijke tekst terecht. ‘Een goedkope oplossing’, werd dan ook smalend opgemerkt.

Soortgelijke problemen duiken tegenwoordig wel vaker op en soms wordt dan aangedrongen op het aanbieden van excuses. Het probleem hiermee is de geloofwaardigheid ervan. Want wie moet zich excuseren voor wat? De koningin? Premier Kok? Maar wat hebben de koningin en Kok met slavernij en slavenhandel te maken? Het antwoord is: niets, behalve dan dat zij thans de regering van dit land vormen. Maar deze redenering leidt tot uiterst vreemde consequenties. Zoals Peter Baehr al eens heeft opgemerkt, zou dit er toe leiden dat president Mandela excuses had moeten aanbieden voor de apartheidspolitiek.

Het verleden moet niet vergeten of opgepoetst worden, maar daar zijn voldoende andere middelen voor. Musea, televisieprogramma’s, documentatiecentra, gedenkstenen en vooral het onderwijs zijn de geëigende instrumenten om dit doel te bereiken. Excuses zijn meestal niet meer dan een vrijblijvend gebaar.

3. Ars amandi (8.12.1994)

Vroeger had je organisaties als de Bond zonder naam en de Bond tegen het vloeken die trachtten kwade gewoonten te bestrijden en goede aan te kweken met pakkende leuzen als ‘Verbeter de wereld begin met jezelf’ en dergelijke. Daar is niets op tegen. Tegenwoordig doet de overheid dat, met Postbus 51-acties en dergelijke. Daar is wel iets op tegen, want het opvoeden en betuttelen van de bevolking is geen overheidstaak. Een van de dingen die je zou hopen dat een ‘paarse’ regering zou doen, is het stoppen van de stroom van opwekkende leuzen die ze op ons af stuurt, vooral als die leuzen ook nog aanvechtbaar zijn.

Zo herinner ik me een ‘spotje’ - of moet je ‘clip’ zeggen, ik weet eigenlijk het verschil niet precies - dat beoogde het baltsgedrag van de mannelijkje homo sapiens te verbeteren. Wij zagen hierin een meisje dat na met een jongen te zijn uit geweest ‘nog even meeging om iets te drinken’. Die jongen wilde, zoals wel meer voor komt, nog iets anders dan alleen maar ‘iets drinken’. Het meisje wilde dat echter niet, zoals ook wel meer voor komt. De jongen gaf het echter niet zomaar op, maar ging nog even door met friemelen en frutselen, waarna de ‘clip’ eindigde met de woorden: ‘als een meisje nee zegt, bedoelt ze nee’ (of woorden van die strekking).

Dat was nieuw voor mij. Ik geloof de overheid op haar woord, dus het zal wel zo zijn, maar als het tegenwoordig zo simpel is, dan is er veel veranderd. Vroeger zei een meisje immers altijd nee, althans om te beginnen. Maar dat was niet veel meer dan een formaliteit, zoals je een brief begint met ‘hartelijk dank voor Uw uitnodiging’, maar daarmee nog geen enkel inzicht geeft in de vraag of je die uitnodiging wel of niet aanvaardt. Het eerste ‘nee’ was niet meer dan een routinegebaar. Een meisje dat onmiddellijk ‘ja’ zei, was immers geen net meisje. Dat was een sloerie die zou eindigen als ‘afgelikte boterham’, een tragisch lot omdat de huwelijksmarktwaarde van dezulken zeer gering was.

Een meisje zei dus altijd nee, maar dat kon nog van alles betekenen: ja, nee, geen mening. Of beter gezegd: nog geen mening; we zien wel verder. De eerste twee varianten waren makkelijk. Als ‘nee’ echt nee was, dan werd dat al snel duidelijk. En vaak was dat inderdaad het geval. In een tijd waarin de lusten en de lasten van de gevolgen van de liefde zo heel anders verdeeld waren dan nu, was daar ook alle reden voor.

Soms echter was ‘nee’ ook gewoon een ander woord voor ‘ja’. Iedereen kent dit verschijnsel, zoal niet uit ervaring dan toch uit de James Bond-films, waarin de dames zich immer onder het

uitspreken van de woorden: ‘Oh no James, don’t’, aan de borst van de even gebruinde als geheime agent werpen. Die films zullen dus binnenkort waarschijnlijk wel verboden worden of althans door Postbus 51 ernstig ontraden.

Deze twee varianten waren niet moeilijk. Ingewikkeld daarentegen was de schemerzone daartussenin, waarin ‘nee’ nog van alles kon worden. In zulke situaties waren, zoals in de geschiedwetenschap, een verfijnde bronnenkritiek en hermeneutiek vereist om de boodschap te interpreteren. ‘Nee’ was in eerste instantie vaak een uitsteloefening, die in feite neerkwam op een verhulde invitatie om door te gaan, zoals vrouwen in toneelstukken van Marivaux of romans van Dumas hun zakdoekje laten vallen of met heur waaier wuiven. Dat soort werk, maar dan in moderne vorm. De grote vraag die hierna rees, was How far can you go, om de titel van een boek van David Lodge te citeren. In dat duistere niemandsland, vol valkuilen en klemmen, niet verlicht door maan of sterren, moest de jonge minnaar zijn weg zoeken, zoals de padvinders en indianen bij Karl May en Baden-Powell.

“Maar grootvadertje, was dat dan niet ongelooflijk ingewikkeld?” Ja kinderen, simpel was het allemaal niet, maar als je het nu zo hoort, klink het toch ingewikkelder dan het in werkelijkheid was. Er waren immers allerlei aanwijzingen. Zo was er de persoon van de spreekster. Als Marga Klompé ‘nee’ zei, dan bedoelde ze ongetwijfeld nee. Daar hoefde je niet lang over na te denken. Als Brigitte Bardot daarentegen ‘nee’ zei, bedoelde ze ongetwijfeld ja. Ook dat was duidelijk genoeg. Anders hadden haar films beduidend korter geduurd en aanzienlijk minder publiek getrokken. Maar het brede maatschappelijke middenveld, daar lagen de problemen.

Gelukkig waren er geruchten en reputaties. De tam-tam deed zijn nuttige werk. Ook kon het een en ander worden opgemaakt uit kleding, opsmuk en reukwater. Dit was geen eenvoudige materie, maar voor een geoefend waarnemer lagen hier toch vaak waardevolle aanwijzingen. Niet minder belangrijk was het uur van de dag of, liever gezegd, van de nacht. Iemand die om twee uur ‘s nachts meeging ‘om nog even iets te drinken’, opende de poorten der verwachting aanzienlijk wijder dan iemand die hetzelfde om elf uur ‘s avonds deed.

Ook kon men te rade gaan bij de omvangrijke literatuur die over dit onderwerp bestaat. Reeds bij de klassieken valt op dit punt immers veel te leren. Interessante tips zijn met name te vinden bij Ovidius in zijn Ars amatoria, dat overigens niet tot de eindexamenstof behoorde. Zo lezen we daar - in de recente vertaling van M. Kat -onder het hoofd Elke vrouw laat zich verleiden, het volgende:

“Ook als je denkt dat ze niet wil, zal ze toch bezwijken

want man noch vrouw versmaadt een avontuurtje in de liefde.

Hij loopt ermee te koop, zij laat haar lusten minder blijken.”

En in de paragraaf Over kussen, dwang en initiatieven vinden wij:

“Elke handige kerel wisselt zoete woorden af met zoenen;

geeft ze er spontaan geen terug, dan moet je ze maar stelen.

Misschien zal ze zich eerst verzetten en roept ze: ‘Vieze vent!’.

Maar wat ze eigenlijk wil zien is dat jij de sterkste bent.

Afhaken past geen bescheiden, maar eerder een bekrompen man!

Dit neigt dicht naar geweld, maar meisjes houden daar wel van:

wat lekker is, dat geeft een vrouw het liefst tegen haar zin.”

Zo was het tweeduizend jaar geleden en zo is het eeuwenlang geweest. Is het nu allemaal anders? In Amerika kennelijk wel. Iedereen kent de verhalen over de eigenaardige wind van preutsheid en onzekerheid die daar thans over de campussen waait. Het meest hallucinerende document op dit gebied is het dertien pagina’s tellende handvest dat de gedragscode voor boy meets girl aan de Antioch University in Ohio - voor het overige niet bepaald een bekende instelling - vastlegt. Blijkens een bericht in NRC Handelsblad is het studenten daar verboden avances te maken zonder de beoogde partner eerst beleefd en specifiek om toestemming te verzoeken. “Heb je zin in seks?” is te vaag; seks kan voor beide partijen iets verschillends betekenen. Stapje voor stapje is dus de wet, in Ohio. “Is het goed als ik je hals kus? Mag ik nu mijn hand naar je dij verplaatsen?” Enzovoorts en zo verder. Brave new world.