Ga je naar Japan en wil je toeristen ontlopen? Ga wandelen op Yakushima

Wandelen Het Japanse bergeiland Yakushima is ideaal voor een wandelvakantie, en na afloop ga je ‘onsen’.

Links: de Janokuchi-waterval, een van de vele watervallen op Yakushima. Rechts: er leven 6.000 makaken op het eiland.

Het ruikt verrukkelijk hier: eerst naar mos en leer, maar het afgelopen kwartier werd het steeds bloemiger. „Ik ruik indool, dat ook in jasmijn zit”, zegt mijn reisgenoot terwijl hij om zich heen naar bloemen speurt.

We zijn op weg naar de Janokuchi-waterval, een van de vele watervallen op het Japanse eiland Yakushima, we maken een boswandeling van zo’n vier kilometer. Dat klinkt wellicht als een korte route, maar wandelen op Yakushima is een vak apart, bleek gisteren. Toen hadden we onze zinnen gezet op de spectaculaire top van de berg Motchomudake. Maar we verkeken ons op het constante klauterwerk over kronkelende boomwortels en steile rotspartijen. De klim, een van de zwaarste op het eiland, was zó inspannend dat we veel trager waren dan de aangegeven 3,5 uur op onze wandelkaart. We moesten voortijdig keren om voor het donker beneden te zijn.

Het is ook even schakelen: dit mysterieuze ruige eiland in vergelijking met de toeristische stedentrip door Japan in de twee weken hiervoor. Japan is een geliefde bestemming, vooral in de lente als de kersenbomen bloeien. Bovendien staan in 2020 de Olympische Spelen gepland in Tokio, en doet de Japanse premier Shinzo Abe er alles aan om toeristen te lokken. Japanse reisvisa zijn wereldwijd steeds makkelijker verkrijgbaar, er worden overal hotels bijgebouwd en er landen meer goedkope vliegtuigmaatschappijen. Abes missie? Veertig miljoen toeristen in 2020, twee keer zoveel als in 2015. En het land ligt goed op schema: vorig jaar lag dat aantal al bijna op 30 miljoen.

Yakushima, met slechts 14.000 inwoners, trekt zo’n 300.000 bezoekers per jaar. Het is een verademing voor wie massale toeristenstromen wil vermijden. Het Zuid-Japanse eiland is bereikbaar per veerboot of vliegtuig. Vanuit Osaka is het ruim een uur vliegen met een klein propellervliegtuig waar zo’n tachtig passagiers in passen.

Al vanuit de lucht is het eiland spectaculair: met zijn 45 bergtoppen bedekt met mos en dichtbegroeide cederbossen heeft het iets weg van een drijvende botanische kasteeltuin uit een Japanse animatiefilm. Yakushima heeft een rijke plantenwereld met 1.900 soorten en subsoorten waaronder eeuwenoude exemplaren van de sugi, de Japanse ceder. Mede daarom staat het sinds 1993 op de Werelderfgoedlijst van Unesco.

Bozige apen

Het mag geen verrassing zijn dat het eiland ieder jaar veel bergwandelaars trekt, vooral in de zomer. Maar buiten het seizoen is het erg rustig. Zoals nu, begin april: we zijn al drie kwartier onderweg naar de waterval als we de eerste andere toerist tegenkomen. Een sportief geklede Fransman, die op de terugweg is. Als we vragen hoe de waterval hem beviel, waarschuwt hij ons voor een groep apen verderop in het woud. In een filmpje op zijn telefoon zien we hoe een makaak hem vanaf een heuvel blazend tegemoet komt waarna hij de aap probeert te verjagen met een tak. Als hij een andere route wil nemen, duiken ook daar bozige apen op. „Het leek alsof ze me omsingelden, ik werd er bang van.”

Hij vertelt dat hij op internet las dat de makaken hier heel agressief kunnen zijn. „Er zijn mensen met beten in het ziekenhuis beland.” Na de ontmoeting met de Fransman blijven we vertwijfeld staan. Er huizen zo’n zesduizend makaken in de bossen op het eiland, ze leven in kleine groepen bij elkaar. Over het algemeen blijven ze op afstand als ze mensen zien, maar kennelijk reageren ze ook weleens anders. Gewapend met twee stevige takken lopen we verder tot we worden opgeschrikt door geritsel en we tussen de bomen iets zien wegsjezen. Met een verhoogde hartslag speuren we rond en staan dan ineens oog in oog met een hert dat ons vanachter een struik met zijn scheve kop nieuwsgierig aanstaart. Ook daarvan leven er hier duizenden. Van oudsher wordt het hert door de eilandbewoners gezien als de god van de bergen. Al is dat idee ondertussen vervaagd en wordt er zelfs een jaarlijkse jacht gehouden, omdat veel dieren schade toebrengen aan de gewassen. Het is een beetje een anticlimax, apen komen we die dag niet meer tegen.

Foto John S Lander / Getty Images

De dagen erna hebben we de wandelkoorts te pakken. Een van de indrukwekkendste routes blijkt de Arawaka Mountain Trail, een hike waar we veel oude cederbomen tegenkomen. Al dekt het woord boom de lading nauwelijks: het gaat hier om eeuwenoude bomen met armen in de vorm van kronkelende wortels, die over de paden gaan en waar je bijna niet op durft te staan. De een is nog reusachtiger en ouder dan de ander. Bij sommige staan bordjes met namen; Yayoi sugi, 3.000 jaar oud. Voor Japanners is het bos zoiets als een kathedraal voor een Europeaan is: een heilige plek. Dat heeft te maken met de oorspronkelijke religie, het shintoïsme dat ervan uitgaat dat alles in de natuur bezield is.

Als we die avond voor de derde keer op rij bij het restaurant tegenover ons hotel willen neerstrijken – het volgende is 5 kilometer lopen, draait de eigenaresse nét de deur op slot. Het is kwart over zeven, de sluitingstijd is 21 uur. Met een hongerige blik kijken we haar aan. „De rijst is op”, prevelt ze vanachter het glas. Gelukkig hebben we bij de supermarkt misosoep gekocht, we waren al gewaarschuwd: restaurants op Yakushima houden er zo hun eigen openingstijden op na.

Onsen aan zee

Na al dat zwoegen is het de laatste dag tijd om een ‘onsen’ uit te proberen, de natuurlijke hotsprings waar Yakushima ook bekend om staat. De Hirauchi Onsen is een hotspring, vierhonderd jaar geleden gebouwd tussen de rotsen pal aan zee. Het was van oudsher een plek waar de eilandbewoners zich kwamen wassen. Het is toegankelijk totdat het vloed wordt en de zee het bad overspoelt.

Een video-impressie van Yakushima.

Er horen wat etiquettes bij het bezoeken van zo’n bad: zo draag je geen badkleding – al wordt van vrouwen verwacht dat ze een handdoekje omdoen, je moet jezelf eerst wassen voor je in de onsen stapt en het is verboden om foto’s te maken. Een indringende zwavellucht prikkelt onze zintuigen. Als we ons in het eerste van de drie baden laten zakken, kijkt ons in het bad ernaast een bejaarde eilandbewoner met een Mexicaanse strohoed geamuseerd aan. Hij wijst: ons bad is ‘warm’, dat van hem ‘hot’ en die verderop ‘very hot’. We proberen te verbergen dat we nu al het gevoel hebben levend te verbranden. Maar na een kwartier went de hitte, trekt de spierpijn weg en voel ik me langzaam totaal ontspannen.

Onze bejaarde buurman gebaart dat hij het niet erg vindt als we tóch een foto willen maken. Het is dan ook echt een fotowaardige scène: met de zwarte lavarotsen, de knalblauwe lucht en de golven die om ons heen tegen de rotsen slaan. Maar mijn reisgenoot schudt zijn hoofd. „Laat je niet verleiden, dit moment bewaren we voor altijd in ons eigen geheugen.”

    • Christel Don