Opinie

Bredero

Zeventiende-eeuwse dichters zijn relevant, lezen is dat dus ook

De door het koetje gezongen aria’s behoorden tijdens de opvoering van de ‘prog-rockopera’ Niet de klucht van de koe bij het recente Amsterdamse Grachtenfestival tot de smakelijkste verrassingen voor het publiek. Deze zeer vrije bewerking van de vroeg zeventiende-eeuwse De klucht van de koe van Gerbrandt Adriaenszoon Bredero werd door de getalenteerde jongste generatie theatermakers van het Kameroperahuis met zoveel aanstekelijk plezier en energie gebracht dat deze makkelijk de vier eeuwen overbrugde die sinds Bredero’s vroege dood zijn verstreken.

Die sterfdag, 23 augustus 1618, wordt nu herdacht met een reeks activiteiten. Bijvoorbeeld rond de verschijning van de nieuwe Bredero-biografie van René van Stipriaan. En het is een heuglijk feit dat werk van een Nederlandse kunstenaar uit de Gouden Eeuw nog steeds of, in ieder geval, opnieuw een publiek vindt.

Van de zeventiende eeuwse schrijvers geldt Bredero altijd nog als de bon-vivant die de latere generaties laat meegenieten van de rollebollende kant van het calvinistische Holland tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Gelukkig is het allang niet meer zo dat alleen filologen bladerend in de folianten van de afdeling Bijzondere Drukken van universiteitsbibliotheken zich ervan kunnen vergewissen dat dat beeld vertekend is. Met een muisklik kan iedereen kennismaken met Bredero en zijn wereld. Hij was wel degelijk ook een moraliserende volksopvoeder net als P.C. Hooft en Samuel Coster, medeleden van de rederijkerskamer de Eglentier.

En in zijn beroemdste werk, Spaanschen Brabander (1617), beschrijft hij al in eigentijdse straattaal bijvoorbeeld de problemen van immigratie en integratie in een grote stad. In zijn tijd ging het over de toestroom van calvinisten die na de val van Antwerpen (1585) moesten uitwijken naar het noorden. En hij hekelt de vooroordelen die deze ‘Spaanse Brabanders’ en de eigentijdse Amsterdammers over en weer jegens elkaar koesteren. „Al siet men de luy men kentse daarom niet.” Dat is de kracht van zijn werk – en van literatuur in het algemeen – het is een tijdmachine waarmee de latere lezers live verbonden zijn met het Amsterdam van de Gouden Eeuw. Waar de pest heerst en waar de jofele Brabantse oplichter Jerolimo en zijn knecht Robbeknol kennismaken bijvoorbeeld met de ‘snollen’ Trijn Jans en Bleecke An en met Ghierighe Geeraert of Otje Dickmuyl.

Die oudere letterkunde relativeert de hitte van het schijnbaar altijd urgente hier en nu. En levert belangrijke informatie in een tijd waar alles draait om vragen omtrent identiteit. Dat ruwe volkje in Bredero's teksten vertoont verdacht veel overeenkomsten met de ‘wetteloze jungle’ die de hedendaagse ombudsman van Amsterdam, Arre Zuurmond, aan de kaak stelde.

Bredero is slechts een exponent van de culturele rijkdom van Nederland. Hij is maar één grote naam uit een lange reeks van (toneel-)schrijvers en dichters die dit taalgebied heeft voortgebracht.

Tegelijkertijd, en nu komt – net als in die oude teksten uit de zeventiende eeuw – de moraal: wat heeft een samenleving aan al die rijkdom wanneer die onvoldoende wordt ontgonnen? Die prachtige literatuur komt alleen tot leven als zij wordt gelezen. En dat gebeurt te weinig door de zogeheten ‘ontlezing’. Met alleen maar een gedenksteen voor een ouwe dichter wordt daaraan geen halt toegeroepen. Daarvoor is een deltaplan nodig voor het onderwijs in Nederlandse letterkunde. Dat begint met voorlezen aan kinderen thuis, maar hoort ook op de politieke agenda in Den Haag.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.