Opinie

    • Jannetje Koelewijn

Zo wordt een stad vanzelf een pretpark

Over het water van de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam, schuin tegenover het vijfsterrenhotel The Grand, voorheen het Stadhuis, ligt het Makelaarsbruggetje. Een deels nog gietijzeren geval met houten planken dat sinds de renovatie in 1991 op stalen pijlers rust om te voorkomen dat hij instort. Een voetgangersbrug, in 1893 gebouwd in opdracht van de tabaksmakelaar Frederik Olie, die een kortere route wilde tussen zijn kantoren en de tabaksveiling in de Nes. Zijn werknemers moesten anders omlopen via de Lommertbrug. Die ligt honderd meter verderop.

Het Makelaarsbruggetje, de officiële naam, heet ook wel het Tabaksbruggetje of de Brug der Tabakieten en mijn vader vertelde me eens hoe hij in 1970 tijdens zijn lunchpauze op díé brug zijn allerlaatste sigaret had gerookt. De rest van het pakje had hij in het water gegooid. Hij werkte in die jaren nog op het Stadhuis. „Zo doe je dat”, zei hij. „Je neemt een besluit en je voert het zonder aarzelen uit.” De Lommertbrug nam hij als hij naar kapper Wout van de Hare, what’s in a name, in de Wijde Lombardsteeg ging, waar nu de redactie van NRC is.

De kortste route van mijn huis naar de krant is via de Lommertbrug en sinds het in Amsterdam altijd toeristenseizoen is, moet ik me dagelijks tussen drommen Spanjaarden of Amerikanen of Japanners door manoeuvreren om aan de overkant te komen. Ze staan daar naar het Makelaarsbruggetje te kijken, een must see op toeristensites. Draaien ze zich om, dan zien ze in een walm van wiet het Red Light District liggen. O, wow.

Alsof me iets is afgenomen, zo voelt het. Maar waarom eigenlijk? Zijn die bruggen meer van mij dan van de mensen die van het uitzicht staan te genieten? Heb ik meer recht om over het Rusland – in de vijftiende eeuw de Willem Ruusschentuin, later ’t Ruyssenlandt en ’t Russeland – te lopen omdat mijn vader daar vroeger voor werktijd een kop koffie dronk? Nee, natuurlijk. Maar dat is wat te veel toeristen in een stad met je doen. Alles van waarde verwordt tot een decor dat lijkt te bestaan om te amuseren. Een pretpark.

Auke van der Woud, de architectuurhistoricus uit Groningen, beschrijft in zijn boek De nieuwe mens schitterend hoe in de negentiende eeuw het streven naar hogere, geestelijke waarden door de natuurwetenschappen plaatsmaakte voor een cultuur waarin het concrete en zichtbare dominant werd. Het begin van de beeldcultuur. Winkels kregen etalages, er kwamen modepaleizen en grand cafés en bioscopen, de eerste gidsen met bezienswaardigheden verschenen, mensen gingen reizen om zich eraan te vergapen. Het is zoals het is. Ik doe er ook aan mee. Maar soms zou je willen dat we weer eens wat vaker thuisbleven en een goed boek lazen.

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) schrijft deze weken de wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.
    • Jannetje Koelewijn